Doodvonnissen in de schaduw van gesloten rechtbanken; van ‘moharebeh’ tot uitsluitng van onafhankelijke advocaten

Het uitvaardigen van doodvonnissen in de schaduw van gesloten rechtbanken is een verhaal van ‘moharebeh’ (oorlog tegen God) en het ontnemen van de rechten van verdachten om een advocaat naar keuze in te schakelen door de Islamitische Republiek.
In het verlengde van de golf van zware vonnissen voor degenen die zijn gearresteerd bij de demonstraties in december 1404, komen nu de namen naar voren van ‘Mohammad Abbasi’, een demonstrant gearresteerd in Mallard, ‘Mobin Baziar’ uit Rasht die doof is, ‘Mohammad Amin Biglerri’, 19 jaar oud uit Karaj, ‘Shervin Baqerian’, 18 jaar oud uit Isfahan, ‘Ehsan Hosseinipour’, 19 jaar oud uit Pakdasht, ‘Matin Mohammadi’, ‘Erfan Amiri’ die helemaal niet aanwezig was op de demonstratieplaatsen maar tegen wie een zaak is aangespannen, ‘Saman, Arman en Rahman Kianivafa’, drie broers uit Shahinshahr, Isfahan, ‘Shayan Shakibai’, 29 jaar oud uit Kerman, wiens gedwongen verklaring werd uitgezonden door Channel 2 door ‘Ameneh-Alsadat Zabihopur’, ‘Najmeh Amini’, 23 jaar oud in Mashhad, ‘Mastoureh Narimani’ vanwege het verzenden van berichten naar buitenlandse media, ‘Meysam Hosseini’, 25 jaar oud uit Sari, ‘Mohammad Hossein Shokri’, 16 jaar oud, ‘Arin Movafahgi’, 17 jaar oud uit Borujerd, die zijn allemaal veroordeeld tot doodstraf onder de beschuldiging van ‘moharebeh’; een vonnis dat niet alleen vanwege de beschuldiging ‘moharebeh’, maar ook vanwege het procedureproces en de belemmering van toegang voor door de familie gekozen advocaten, met ernstige kritiek wordt geconfronteerd.
Intussen zijn er veel andere Iraanse kinderen wier namen vanwege veiligheid en druk en bedreigingen tegen families niet zijn vermeld en wachten zij in het geheim op een doodvonnis onder de beschuldiging van moharebeh of op de uitvoering ervan. Velen van deze personen zijn zelfs minderjarig en worden als kinderen beschouwd, maar worden geconfronteerd met ernstige en wijdverspreide schendingen van de mensenrechten door de Islamitische Republiek; kinderen die wegens moharebeh beschuldigd worden en ter dood veroordeling wachten.
‘Ali Sharifzadeh Ardakani’, advocaat, heeft verklaard dat afdeling 15 van de Revolutionaire Rechtbank onder leiding van rechter Selwati Mohammad Abbasi ter dood heeft veroordeeld en zijn dochter Fatema Abbasi tot 25 jaar gevangenis. De zaak is na beroep naar afdeling 39 van het Hooggerechtshof verwezen, maar volgens deze advocaat weigert deze afdeling nieuwe advocaten in de herzieningen fase in te schakelen.
Sharifzadeh Ardakani heeft verklaard: “Mij is verteld dat de zaak op het punt staat om uitspraak te doen en dat het niet mogelijk is vertegenwoordiging in te schakelen.” Hij heeft ook het beroep op artikel 48 van de Strafvorderingscode als ongeldig aangemerkt om gekozen advocaten uit te sluiten en benadrukt dat deze beperking uitsluitend van toepassing is op de vooronderzoeksfase in veiligheidszaken en niet op behandeling in het Hooggerechtshof.
De hoofdbeschuldiging tegen Mohammad Abbasi is ‘moharebeh’; een theologische term die in de wettelijke stelsels van de Islamitische Republiek Iran leidt tot doodstraf en wordt uitgelegd als “oorlog tegen God”. De advocaat in deze zaak herinnert er echter aan dat in een zaak waarbij het gaat om de dood van een persoon, eerst de burgerrechtelijke aspecten en de beschuldiging van moord moeten worden onderzocht, niet een beschuldiging van religieuze aard zoals moharebeh.
Volgens officiële rapporten betreft deze zaak de dood van ‘Shahin Dehghani Kakavandi’ tijdens de demonstraties in december op het Erghavan-plein in Mallard. Media verbonden aan de gerechtelijke macht hebben Mohammad Abbasi aangewezen als eerste verdachte en gesteld dat deze politieagent stierf door slagen van een scherp voorwerp. In de gepubliceerde strafvordering is Abbasi naast de beschuldiging van moord ook beschuldigd van samenwerking met Israël, Amerika en vijandige groepen; beschuldigingen die in recente jaren herhaaldelijk tegen demonstranten zijn geuit en die volgens waarnemers zwaar politiek beladen zijn.
Een van de controversiële aspecten van deze zaak is de weigering van afdeling 39 van het Hooggerechtshof om door de familie gekozen advocaten in de herzienvingsfase in te schakelen. Volgens Sharifzadeh Ardakani is zijn collega bij het aanmelden voor vertegenwoordiging geconfronteerd met het antwoord dat het niet mogelijk is het geval in te gaan. Hij zelf werd na ongeveer een uur wachten geconfronteerd met de verklaring dat vanwege de nabijheid van de uitspraakdatum, het inschakelen van vertegenwoordiging niet mogelijk is.
Dit gebeurt terwijl de familie Abbasi heeft gesproken over talrijke twijfels in de zaak, maar door het gebrek aan toegang van nieuwe advocaten tot de zaakstukken, is onafhankelijk onderzoek niet mogelijk gemaakt. Naar het oordeel van critici ondergraaft zo’n proces het beginsel van rechtvaardige procedure en het recht op een advocaat naar keuze.
De zaak van Mohammad Abbasi gebeurt niet in een vacuüm. In recent jaren zijn een aantal demonstranten veroordeeld tot dood onder de beschuldigingen van ‘moharebeh’ of ‘verdorvenheid op aarde’, en sommigen zijn ook ter dood gebracht; waaronder Mohsen Shekari en Majid Reza Rahnavard, wiens vonnis in voorgaande jaren is uitgevoerd en een golf van internationale reacties heeft veroorzaakt. Ook doodvonnissen voor personen zoals Toomaj Salehi (dat later werd vernietigd) en enkele andere demonstranten zijn uitgevaardigd, die onder druk van openbare opinie en mensenrechtenorganisaties, sommige daarvan in het Hooggerechtshof werden vernietigd of opgeschort.
Ook in de zaak Mallard hebben de familie van het slachtoffer om uitvoering van het doodvonnis gevraagd en de juridische vertegenwoordiger van Forja in de rechtbank heeft een verzoek ingediend voor “de zwaarste straf” en uitvoering van het vonnis op de plaats waar deze agent stierf. Maar aan de andere kant zeggen de family Abbasi dat zonder vrije en volledige toegang tot een gekozen advocaat en grondig onderzoek van bewijs, de uitvoering van zo’n vonnis kan leiden tot onherstelbare ongerechtigheid.
Naast deze personen kan ook worden verwezen naar artsen en verpleegkundigen die vanwege het verlenen van diensten aan gewonde demonstranten, zijn gearresteerd en beschuldigd van moharebeh. Onder hen zijn namen als ‘Alireza Golchini’, chirurg woonachtig in Qazvin en ‘Mohammad Reza Abdollah Pour’, 28 jaar oud uit Teheran en lid van het medisch personeel, die wegens het uitvoeren van hun professionele en menselijke plicht en het behandelen van gewonde demonstranten, is ter dood veroordeeld door de Islamitische Republiek en wacht op de uitvoering ervan.
Internationale mensenrechtenorganisaties hebben herhaaldelijk gewaarschuwd dat het wijdverspreide gebruik van termen zoals ‘moharebeh’ tegen demonstranten een instrument is voor politieke onderdrukking. Deze organisaties benadrukken dat het procedureproces in veel van deze zaken gepaard is gegaan met beperkte toegang tot advocaten, gedwongen verklaringen en haastige processen.
Uit het oogpunt van onafhankelijke waarnemers is wat deze zaak tot een verontrustend symbool maakt, niet alleen de zwaarte van het vonnis, maar het patroon van geleidelijke afschaffing van verdedigingsrechten; een proces dat, als het vastgesteld blijft, elke politieke of ideologische verdachte blootstelt aan een vonnis waarvan het pad van tevoren is bepaald.
Voor de christelijke gemeenschap en verdedigers van gewetensvrijevheid zijn deze ontwikkelingen niet slechts een gerechtelijk bericht, maar een teken van de uitbreiding van een ruimte waarin veiligheidslabels en religieuze beschuldigingen kunnen leiden tot doodvonnissen. In dergelijke omstandigheden is de fundamentele vraag: “Zal gerechtigheid achter gesloten deuren en zonder de aanwezigheid van een onafhankelijke advocaat nog een andere betekenis hebben dan bevestiging van een vooraf geschreven vonnis?”




