VN-commissie onderzoeksrecht: Islamitische Republiek moet zich verantwoorden voor haar misdaden

De onderzoekscommissie van de Verenigde Naties benadrukte in een rapport dat de Islamitische Republiek zich moet verantwoorden voor de begane misdaden.
De onderzoekscommissie van de Verenigde Naties diende maandag 17 maart (27 Esfand) een rapport in bij de Mensenrechtenraad van de VN, waarin zij de Islamitische Republiek oproep zich verantwoording af te leggen over de misdaden die gepleegd zijn bij de onderdrukking van de “Vrouw, Leven, Vrijheid”-beweging.
De onderzoekscommissie stelde het 252-pagina’s tellende rapport samen op basis van minimaal 38.000 juridische en medische bewijsstukken en meer dan 285 interviews met demonstranten, familieleden van slachtoffers en getroffen personen. Daarin stelden zij: “De Islamitische Republiek heeft bij de onderdrukking van de protesten in 1401 grove schendingen van de mensenrechten gepleegd, waarvan sommige als misdaden tegen de mensheid kwalificeren.”
“Sara Hossein”, voorzitter van de onderzoekscommissie, verklaarde in haar uitspraken op deze zitting: “De onderdrukking van vrouwen is verschoven van fysiek geweld naar nieuwere methoden zoals het het zwijgen opleggen, spionagetoezicht en het gebruik van technologieën zoals gezichtsherkenning.” In dit rapport werden ook grove schendingen van de rechten van religieuze en etnische minderheden, waaronder christenen, bahai’s, Koerden en Beloetsjen, onderzocht.
Het rapport concentreert zich in het bijzonder op de druk op minderheden, waaronder religieuze en geloofsminderheden, de behandeling van kinderen, de toename van ter dood veroordeling als instrument van psychologische foltering tegen gedetineerden en de toename van deze uitspraken. Volgens dit rapport worden vrouwen, twee jaar na de “Vrouw, Leven, Vrijheid”-protesten, nog steeds onderworpen aan systematische discriminatie door de Islamitische Republiek, zowel wettelijk als praktisch. Daarnaast duurt de druk en bedreiging tegen familieleden van slachtoffers om het zwijgen op te leggen, de druk op advocaten, mensenrechtenactivisten en journalisten voort. In dit rapport wordt ook vermeld dat de Islamitische Republiek digitale hulpmiddelen gebruikt om het maatschappelijk middenveld de mond te snoeren.
Vertegenwoordigers van Spanje en Argentinië hebben ook kritiek geuit op de wijdverbreide schendingen van de rechten van religieuze en geloofsminderheden in Iran. De vertegenwoordiger van Argentinië zei in een boodschap aan Iran: “Vrijheid van religie en meningsuiting moeten op de volledigste manier mogelijk worden gegarandeerd en wettelijke bepalingen die deze rechten negatief beïnvloeden, moeten worden ingetrokken.”
De vertegenwoordiger van Italië verklaarde ook in een boodschap: “De Islamitische Republiek moet de nodige stappen ondernemen om godsdienstvrijheid te garanderen en erop toe te zien dat iedereen gelijk wordt behandeld en zijn of haar geloof in vrede en veiligheid kan beoefenen.”
De onderzoekscommissie benadrukte in de zitting van de Mensenrechtenraad van de VN dat de Iraanse regering de verantwoordelijkheid voor grove schendingen van de mensenrechten ontkent en slachtoffers nog steeds geen toegang hebben tot gerechtigheid en hun sociale rechten. De onderzoekscommissie stelde voor dat een onafhankelijke instelling moet worden opgericht om de schendingen van mensenrechten en misdaden tegen de mensheid in Iran op te volgen, en dat deze instelling moet samenwerken met internationale gerechtelijke instanties die handelen in overeenstemming met mensenrechtenstandaarden en door nauw overleg met slachtoffers, overlevenden, het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenmechanismen van de VN haar werk moet voortzetten.
“Ali Bagheri”, vertegenwoordiger van de Islamitische Republiek bij de Verenigde Naties, sprak na de presentatie van het rapport van de onderzoekscommissie en het rapport van “Mai Sato”, speciaal rapporteur voor mensenrechten in Iran-aangelegenheden, nadat hij de zaal van de Mensenrechtenraad was binnengegaan, en verklaarde in zijn opmerkingen dat hij de onderzoekscommissie beschouwde als een constructie van wereldwijd imperialisme en veroordeelde ook Israël, waarna hij de zaal van de raad verliet.
De regering van de Islamitische Republiek ontkent blijvend schendingen van mensenrechten en misdaden tegen het volk van Iran, ondanks gedocumenteerde bewijzen en talrijke rapporten van internationale organisaties. Na de presentatie van de rapporten van de onderzoekscommissie is besloten dat voor de verlenging van het mandaat van de speciale rapporteur van de VN en de onderzoekscommissie voordat de zitting van de Mensenrechtenraad van de VN op 4 april afloopt, een stemming zal plaatsvinden.




