Mensenrechten of het recht om “rechten te hebben”

De tiende december elk jaar is niet alleen een herdenkingsdag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, maar tegelijkertijd een moment van bewustwording over wat een lange en hobbelige weg nog voor de mensheid ligt totdat de mensenrechten overal ter wereld zijn gerealiseerd.
De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd aangenomen, stelt vast dat mensenrechten overal ter wereld voor iedereen geldig zijn en dat elk mens deze rechten bezit louter vanwege het feit dat hij of zij mens is. Het doel van deze rechten is in totaliteit het behoud van menselijke waardigheid en vrijheid. De verklaring verplicht overheden om mensenrechten te beschermen, hoewel de grootste vijand en belemmering van de verwezenlijking van mensenrechten de overheden zelf zijn.
Het moet worden gezegd dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens voortsproten uit de lering van een “ramp” en werd opgericht als een monument op de bloederige ruïnes van de dodenkampen “Auschwitz”, “Buchenwald”, “Treblinka”, “Majdanek”… en ook op de door atoomstof verontreinigde puinhopen van “Hiroshima” en “Nagasaki”, als waarschuwing om het herhalen van eerdere rampen te voorkomen.
Maar ook daarna moest de mensheid helaas getuige zijn van andere verschrikkelijke gebeurtenissen: de Vietnamoorlog, het regime van terreur van de Rode Khmer in Cambodja, apartheid in Zuid-Afrika, genocide in Rwanda, massale moord in politieke gevangenen in Iran, “etnische zuivering” in Joegoslavië, Taliban-heerschappij in Afghanistan en onlangs het “Islamitische Kalifaat Daesh” in Irak en Syrië. Deze gebeurtenissen toonden aan dat “rampen” gemakkelijk worden herhaald en dat ervan geleerd is niet gebeurd, en dat verdediging van mensenrechten op de agenda moet blijven staan.
Historische achtergrond
De geschiedenis van de vorming en ontwikkeling van het concept van mensenrechten in de moderne zin heeft drie fasen doorlopen: de eerste fase omvat de intellectuele inspanningen van filosofen en verlichte denkers in de 17e en 18e eeuw op basis van “natuurrecht”. Volgens deze denkwijzen beschikken alle mensen, ongeacht hun maatschappelijke positie, over bepaalde fundamentele rechten. Deze rechten worden beschouwd als “universeel” en zou elk mens op grond van zijn of haar aard moeten bezitten. Echter, de gedachte van “natuurrecht” gaat weinig in op de vraag hoe dit recht gerealiseerd moet worden, omdat “natuurlijke toestand” nog geen “juridische maatschappelijke toestand” is. Daarom blijft het mensenrecht in deze fase slechts een idee.
In de tweede fase, vanaf de tweede helft van de 18e eeuw, worden mensenrechten door middel van de Amerikaanse en Franse revoluties van gedachte naar werkelijkheid omgezet vanuit politiek en juridisch perspectief, en deze revoluties tillen mensenrechten naar het niveau van burgerrechten waar iedereen zich op kan beroepen. Op deze manier verschijnen mensenrechten voor het eerst in de vorm van “gestelde rechten”, dat wil zeggen rechten die door een regeringsstelsel zijn gecreëerd. Maar parallel met deze belangrijke stap wordt het kenmerk of de claim van “universaliteit” van mensenrechten verzwakt, want hoewel mensenrechten als universele rechten waren aangekondigd, waren zij in feite alleen gericht op de burgers van twee genoemde landen, en zelfs in deze landen zelf waren grote delen van de samenleving, zoals vrouwen, zwarten, religieuze minderheden en zelfs arbeiders van dergelijke rechten beroofd.
In de derde fase, die begint met het einde van de Tweede Wereldoorlog, verschijnen mensenrechten als juridische norm op het toneel en worden het onderwerp van een internationaal rechtsstelsel. Zoals gezegd, de centrale kern van dit internationale rechtsstelsel is de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, aangenomen op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, die in de daaropvolgende jaren werd aangevuld met een aantal andere bindende internationale verdragen. Een nauwkeuriger blik op het concept van mensenrechten is niet zonder nut.
De kernwaarde van “menselijke waardigheid”
Het concept van “menselijke waardigheid” is de meest centrale filosofische waarde van mensenrechten. Emmanuel Kant, de Duitse filosoof, geloofde dat in het rijk van doeleinden alles ofwel een prijs heeft ofwel waardigheid. Dat wat een prijs heeft, kan door een equivalent worden vervangen. Maar dat wat hoger staat dan alle prijzen en waarvoor geen equivalent bestaat, heeft waardigheid. Volgens Kant is de mens het enige wezen dat waardigheid bezit en waarvoor geen prijs of equivalent bestaat. Maar menselijke waardigheid moet altijd als plicht worden begrepen en niet als voorrecht. De vrijheid van menselijke wil betekent verantwoordelijkheid en verantwoord gedrag, en dit zegt dat de mens niet alleen kan, maar ook verplicht is zijn of haar handelen tegenover anderen te rechtvaardigen. Daarom is het accepteren van menselijke waardigheid niet alleen voordelig voor theoretische kennis, maar draagt het praktische inzicht en wijsheid met zich mee. In de filosofie van mensenrechten is waardigheid dus een soort relatie en geen eigenschap. Met andere woorden, waardigheid zit niet in de mens, maar is een relatie tussen mensen; een relatie die de mens op basis van menselijkheid tussen zichzelf en anderen tot stand brengt. Als we deze waardigheid echter aan eigenschappen koppelen, hebben we haar unieke kenmerk beroofd en beperkt. Daarom moeten we spreken van de “onschendbaarheid” van menselijke waardigheid. De “onschendbaarheid” van menselijke waardigheid betekent natuurlijk niet dat niemands waardigheid ooit geschonden wordt, maar betekent een onbreekbare band tussen alle mensen, en wie menselijke waardigheid schendt, schendt tegelijkertijd zijn of haar eigen waardigheid.
Een ander punt is dat waardigheid een natuurlijke menselijke positie is en geen verworven zaak. Met andere woorden, menselijke waardigheid ligt in het bestaan van een persoon verborgen en is niet het gevolg van inspanning of verdienstelijkheid. Bijgevolg kunnen de lichamelijke en geestelijke capaciteiten van een persoon zijn of haar waardigheid niet verhogen ten opzichte van een ander.
Tegenwoordig wordt menselijke waardigheid in de grondwetten van democratische landen beschouwd als de hoogste norm en is zij onschendbaar. Deze norm betekent het geven van bijzondere waarde aan de persoonlijkheid en waardigheid van de mens. Het is niet voor niets dat veel juristen en denkers tegenwoordig mensenrechten ervan afleiden, want menselijke waardigheid kan niet worden overgedragen of afgestaan, en ook niet worden afgewezen. Voor een nauwkeurigere verklaring van menselijke waardigheid wordt deze in verband gebracht met andere waarden zoals het recht op leven, vrijheid, persoonlijke autonomie, gelijkheid van mensen, rechtvaardigheid, solidariteit en vreedzaam en geweldloos leven.
Structurele kenmerken van mensenrechten
Mensenrechten zijn geen gewone rechten en hebben kenmerken die een soort onderscheid en karakterisering ervan ten opzichte van andere rechten veroorzaken. In overwegingen ter verklaring van de structuur van mensenrechten worden de volgende kenmerken ervan in aanmerking genomen:
Het eerste kenmerk van mensenrechten is hun universaliteit. Universaliteit betekent dat mensenrechten van algemene geldigheid genieten en voor alle mensen geldig zijn en onvoorwaardelijk behoren tot alle mensen overal ter wereld. Er moet aan worden toegevoegd dat de claim van universaliteit van mensenrechten één van de meest controversiële onderwerpen van dit concept is. De tegenstanders ervan zijn allereerst onwettige regeringen die de rechten van hun burgers schenden. Maar sommige critici brengen ook vanuit moreel oogpunt bezwaren in dat de claim van universaliteit de culturele kenmerken van verschillende landen ter wereld negeert. Daarentegen stellen voorstanders van het universele karakter van mensenrechten dat bijvoorbeeld de gebeurtenissen van het afgelopen twee decennia in islamitische en Afrikaanse landen duidelijk aantonen dat mensenrechten geen Westerse uitvinding en “import” naar deze landen zijn, maar een onafscheidelijk en natuurlijk onderdeel van de eisen van het volk daar, dat alleen door regeringen met geweld en brutaliteit wordt voorkomen.
Het tweede kenmerk van mensenrechten is dat zij onvervreemdbaar en ondeelbaar zijn. Met andere woorden, het grondrecht van een individu kan hem of haar niet worden ontnomen. Ook kan niemand zijn of haar mensenrecht afstaan of ervan afzien. Bovendien kan mensenrecht niet worden geschonden onder het voorwendsel van enige “hogere orde”. Omdat mensenrechten persoonlijke rechten zijn, kunnen zij niet ten dienste van de gemeenschap worden afgeschaft of aan regeringsgezag worden onderworpen. Het kenmerk van ondeelbaarheid van mensenrechten benadrukt dat deze rechten altijd in hun geheel moeten worden gerealiseerd.
Het derde kenmerk van mensenrechten is hun gelijkmatig karakter. Dit betekent dat mensenrechten voor alle mensen ongeacht nationaliteit, afkomst, geslacht, godsdienst, ras, kleur, sociale herkomst en vermogen geldig zijn.
Het vierde kenmerk van mensenrechten is hun geldigheid als ethische rechten. Een recht is ethisch wanneer de norm die het bevat, morele geldigheid bezit. En een norm heeft morele geldigheid wanneer deze tegenover iedereen die logische argumentatie aanvaardt, kan worden gerechtvaardigd. Door de twee kenmerken van morele geldigheid en universaliteit samen te voegen, kan worden gezegd dat mensenrechten universeel geldige rechten zijn met morele autoriteit die door middel van argumentatie kunnen worden verdedigd tegenover iedereen die zich aan logische argumentatie onderschrijft.
Het vijfde kenmerk van mensenrechten is hun fundamentele aard. Deze fundamentele aard heeft betrekking op de juridische materie. In mensenrechten gaat het onderwerp over het behoud en vervulling van fundamentele belangen en behoeften. Een belang of behoefte is fundamenteel wanneer het schenden of niet vervullen ervan dood of ernstig letsel tot gevolg heeft of gericht is op de kern van menselijke autonomie. Er is een directe verbinding tussen het fundamentele karakter en de morele geldigheid van mensenrechten, maar dit zijn geen twee dezelfde zaken. Deze verbinding berust op de grondslag dat hoe fundamenteler een recht is, hoe gemakkelijker het ervan te rechtvaardigen is tegenover anderen. De universele overeenstemming over het recht op menselijk leven is een duidelijk voorbeeld daarvan.
Het zesde kenmerk van mensenrechten is hun voorrang boven gestelde rechten. Deze voorrang betekent dat gestelde rechten niet de maatstaf voor de inhoud van mensenrechten zijn, maar integendeel, mensenrechten zijn de maatstaf voor gestelde rechten. Met andere woorden, naleving van mensenrechten is een noodzakelijke voorwaarde voor de rechtvaardigheid van gestelde rechten, en gestelde rechten die mensenrechten schenden, zijn inhoudelijk incorrect en daarom ongeldig. Dit onderstreept het belang van naleving van mensenrechtennormen op het gebied van wetgeving en toont aan dat mensenrechten boven gestelde rechten staan.
Democratie en mensenrechten
Juist deze kenmerken plaatsen het institutionaliseren van mensenrechten door middel van omzetting in gestelde rechten en omvorming tot fundamentele en burgerrechten, zowel in het internationale rechtskader als binnen de nationale rechtsstelsels, op de agenda. De instelling die mensenrechten kan verankeren is de staat. Daarom kan worden geconcludeerd dat de oprichting van een staat ter bescherming van mensenrechten zelf een mensenrecht is.
Natuurlijk zijn mensenrechten in hun moderne betekenis onscheidbaar verbonden met democratie. In feite zijn het de mensenrechten die de staat legitimiteit geven. Omdat de nauwe relatie tussen de legitimiteit van het politieke stelsel en de naleving van mensenrechten onloochening is, kan de bewering dat mensenrechten universeel van aard zijn, alleen betekenen dat elk regeringsstelsel in de wereld dat zijn burgers hiervan beroofd, niet kan worden beschouwd als een legitiem politiek stelsel.
Wanneer een persoon alleen vanwege zijn of haar geloof wordt vervolgd, een vluchteling over de grens van een veilig land wordt gedreven, een vreedzame betoger door de politie wordt onderdrukt, een individu in een gevangenis wordt gemarteld, een etnische of religieuze minderheid in een land wordt gediscrimineerd en onrechtvaardig behandeld, of wanneer een autoritaire regering het doodvonnis voltrekt op een vrijheidslievend mens, hebben we in al deze gevallen te maken met schending van mensenrechten. Deze handelingen vinden overal plaats ondanks een document dat door vrijwel alle landen ter wereld is ondertekend en waarvan zij zich hebben verplicht om de bepalingen na te leven.
Mensenrechten en “islamitische identiteit”?
Islamitische landen weigeren, stellende zich op “islamitische identiteit” en “culturele eigenaardigheid”, de universele aard van mensenrechten erkend te verklaren. Maar de strijd van veel mensen in islamitische landen voor gelijke rechten getuigt ervan dat nationale en etnische verschillen van het volk in deze landen en zogenaamde “culturele eigenaardigheid” relatieve begrippen zijn, en dat regeringen in deze landen in feite “cultuur” en “religie” intensief als instrumenten gebruiken om hun macht te consolideren.
We mogen niet vergeten dat vrijwel alle regeringen in islamitische landen onderdrukkend en zonder legitimiteit zijn. Veel mensen in deze landen die willen dat mensenrechtenstandaarden worden nageleefd, worden beschouwd als tegenstanders van hun eigen regeringen en worden daarom onder druk en vervolging door regeringen gesteld. In islamitische landen wordt schending van mensenrechten vaak gerechtvaardigd met beroep op islamitische bronnen. De regeringen van deze landen stellen bijvoorbeeld ter ondersteuning van de noodzaak van “culturele verschillen” en behoud van “islamitische identiteit” dat de islam een samenhangend en volledig rechtssysteem heeft. Maar zelfs in de islamitische landen zelf bestaat er geen uniform begrip van de islam. Islamitische landen presenteren verschillende interpretaties van de islam en islamitische wetten, en deze interpretaties zijn in veel gevallen met elkaar strijdig en tegenstrijdig.
Op het gebied van islamitische cultuur bestaan er in wat betrekking heeft op vrouwenrechten uitgebreide discriminatie en beperkingen, en de heersers van islamitische landen stellen vrouwen, onder het mom van “culturele autonomie”, discriminatoire en achteruitstrevende wetten op. In theocratische stelsels zoals de Islamitische Republiek Iran zijn, vanwege de verwevenheid van religieuze leerstellingen met regering, wetten en normen voortkomend uit religie en traditie enerzijds en veel moderne fundamentele rechten voortkomend uit mensenrechten anderzijds, met elkaar in een gespannen relatie.
In het huidige tijdperk van “mondialisering”, waarin de onvermogen van de Verenigde Naties om niet-democratische regeringen, binnenlandse oorlogen, dakloosheid en vluchtelingschap, wijdverspreide migratie, armoede en ellende, klimaatverandering en milieuvernietiging tegen te gaan, steeds duidelijker wordt, is de vraag wie mensenrechten moet verdedigen; dat wil zeggen de rechten van degenen die, naar zeggen van de Duitse denker Hannah Arendt, zelfs niet beschikken over het recht om “rechten te hebben”, steeds actueler.
We moeten eraan denken dat wanneer we het hebben over mensenrechten, we het hebben over een ingewikkelde netwerk van filosofische ideeën, juridische overwegingen, menselijke verlangens, politieke strijd en economische dwang, waarvan de verwezenlijking op nationaal en wereldwijd niveau, ondanks al deze bestaande obstakels, ons onvermijdelijk naar de grens van een “ideale staat” voert.
Bron: DW




