Wereldgebeurtenissen

Herdenkingsceremoniën voor slachtoffers van Iraanse koningen in Georgië

Elk jaar worden in Georgië ceremonies en herdenkingen gehouden die op een bepaalde manier met Iran verband houden. Georgiërs streven ernaar het geheugen levend te houden van degenen die “martelaren” werden in militaire campagnes en onderdrukking door Iraanse koningen. Ze zijn vooral gevoelig voor de massamoorden onder Shah Abbas I en Agha Mohammad Khan Qajar en beschouwen deze als zwarte vlekken in de turbulente geschiedenis van dit land.

Honderdduizend martelaren van Tbilisi

Elk jaar op 13 november verzamelen veel mensen zich op een brug over de rivier de Koera (Kourosh) in Tbilisi, de hoofdstad van Georgië, om het “honderdduizend martelaren van Tbilisi” te gedenken, die door Sultan Jalal al-Din, de laatste koning van de Turkstalige-Iraanse dynastie der Chorasmische Schah’s, werden gedood.

In het jaar 1226 belegerde Sultan Jalal al-Din de stad Tbilisi, die meer dan een eeuw in handen van de Georgiërs was geweest, maar uiteindelijk opende een groep “in Tbilisi woonachtige Iraniërs” ’s nachts de stadpoorten voor de aanvallers.

In die tijd stond Georgië onder het bestuur van koningin Rusudan, die aan de aanvallers wist te ontsnappen. Na de verovering van Tbilisi werden de christelijke inwoners opgedragen zich tot de islam te bekeren.

Op bevel van Sultan Jalal al-Din werden afbeeldingen van Jezus Christus en Maria op een brug over de rivier de Koera geplaatst, zodat christenen gedwongen werden hierop te trappen. Iedereen die weigerde op deze afbeeldingen te trappen en zich tot de islam te bekeren, werd onthooft.

Er wordt gezegd dat honderdduizend mensen, vrijwel de volledige bevolking van Tbilisi, weigerde hun geloof op te geven, en het water van de rivier de Koera kleurde rood van hun bloed. Georgische historici hebben de wreedheid van de slachting van vrouwen, kinderen, ouderen en jongeren en de plundering van de stad als “onbeschrijflijk” gekarakteriseerd en verwijzen naar dit gebeuren als “de donkerste dag in Georgische geschiedenis”.

Elk jaar op 13 november dragen priesters en mensen tekens en affiches van dit gebeuren door de straten. Ze verzamelen zich uiteindelijk op de Metekhi-brug, waarvan wordt gezegd dat dit de plaats van deze massamoord was, steken kaarsen aan ter nagedachtenis van de slachtoffers en gooien bloemen in de rivier de Koera. In kerken worden ook ceremonies gehouden.

Heilige Ketevane

Elk jaar op 26 september verzamelen mensen zich in de kerk van koningin Ketevane (Ketayon) en andere kerken in Tbilisi om kaarten voor haar aan te steken.

Ketevane was de moeder van prins Tahmuras. Vanaf 1605, toen Tahmuras nog klein was, regeerde zijn moeder met toestemming van de Safavidische Shah Abbas als regent over het Koninkrijk Kacheti. Maar in 1614 voerde Shah Abbas een campagne om de opstanden en onrust in Georgië neer te slaan en zijn eigen heerschappij daar te verstevigen.

Ketevane geeft zich over om een aanval van Shah Abbas af te wenden, maar de Iraanse vorst onderwerpt de regio Georgië aan plundering en verwoesting. Het Iraanse leger voert massaal bloedbaden uit en volgens historici werden duizenden Georgische soldaten en burgers gedood en werden duizenden anderen naar het centrum van Iran gedeporteerd.

De massamoord op het volk van Kacheti is voor Georgiërs en historici nog steeds een pijnlijke tragedie die zelfs in Georgische scholen wordt genoemd. Maar nog erger was het lot dat de koningin in Iran te wachten stond.

Koningin Ketevane bracht tien jaar in Shiraz door totdat Shah Abbas, als wraak op Tahmuras die zich niet had overgegeven, van Ketevane eiste dat zij zich zou bekeren tot de islam en zich met hem zou verheiraten. Maar zij verzette zich hevig en werd zozeer gemarteld met gloeiende ijzers dat zij stierf. De Georgische orthodoxe kerk verhief haar tot heilige en gaf haar de titel “Ketevane de Gemartelde”. Ze staat ook bekend als heilige Ketevane.

Portugese priesters die bij deze marteling aanwezig waren, graven haar lichaam stiekem op. Er wordt gezegd dat delen van haar stoffelijke resten in een kerk in India werden begraven. Recente DNA-testen hebben aangetoond dat deze resten toebehoorden aan een Georgische vrouw, namelijk koningin Ketevane.

In 2015 werd een kopie onthuld van een schilderij dat het moment van de marteling van koningin Ketevane afbeeldt, in het Mokhranspaleis in het oosten van Georgië. Het originele schilderij, dat in tegel op een kerk in Lissabon, Portugal is gegraveerd, bevindt zich daar nog steeds.

De 300 soldaten van Aragveli

Georgiërs verzamelen zich op 24 september elk jaar in het Aragveli-monument en kerken in Tbilisi ter herdenking van slachtoffers en soldaten die werden gedood in de aanval van Agha Mohammad Khan Qajar.

Eind achttiende eeuw, nadat Agha Mohammad Khan Iran volledig had veroverd, verkondigde Eraclius II (Heraclius II), gouverneur van Georgië, dat hij alle officiële betrekkingen met Iran verbreekt en zich onder bescherming van het Russische Tsarisme zou stellen, met steun van zijn geloofsgenoten, de Russen.

Daarom kondigde Agha Mohammad Khan in 1795 in een brief aan Eraclius aan dat indien de gouverneur van Georgië zijn banden met de Russen niet zou verbreken en geen volledige gehoorzaamheid aan Iran zou tonen, hij naar dat gebied zou marcheren.

Eraclius weigerde de eis van Agha Mohammad Khan en bereidde zich voor op een aanval. Agha Mohammad Khan voerde een militaire campagne naar Georgië uit en won ondanks Georgische weerstand en Eraclius vluchtte naar Tbilisi.

Agha Mohammad Khan marcheerde naar Tbilisi om hem te vinden. Eraclius vluchtte met zijn familie en verwanten van Tbilisi naar West-Georgië. Agha Mohammad Khan veroverde Tbilisi en gaf bevelen voor moord en plundering. Zijn leger verdronk een groot aantal geestelijken in de rivier de Koera en verwoestte de stad. Ongeveer vijftienduizend jongens en meisjes van de stad werden gevangen en naar Iran gevoerd.

Volgens historici was de Iraanse aanval zo schadelijk voor Georgië dat het land zich nooit meer kon herstellen. Eraclius stierf in 1798 en de regering van Georgië ging naar zijn zoon George XII. Met de dood van George in 1800 eindigde de dynastieke lijn van het Koninkrijk Georgië en het Russische Rijk, dat Georgië had bezet, annexeerde het land.

In 1959 werd het Aragveli-monument gebouwd ter herdenking van de 300 soldaten die hun laatste pogingen deden om het leger van Agha Mohammad Khan af te slaan op de plaats waar de overblijfselen van de graven van de gesneuvelden uit die slag waren gevonden. Deze soldaten waren afkomstig uit Aragvi nabij Tbilisi en waren gevallen in de slag bij Krtsanisi.

Griboyedov

Alexander Griboyedov, Russisch ambassadeur, die in 1829 werd gedood in een aanval door betogers op de Russische ambassade in Teheran, is in Tbilisi begraven. Hoewel Iraniërs hem niet gaarne zien vanwege het opmaken van het verdrag van Turkmenchay en de annexatie van delen van Iraans grondgebied door Rusland, herdenken Georgiërs hem als een geletterde persoon, toneelschrijver, dichter en componist.

Hoewel Griboyedov niet door Iraanse koningen werd gedood en geen officiële herdenkingsceremoniën voor hem worden gehouden, brengen veel mensen die zijn graf en dat van zijn vrouw, die naast hem is begraven, bezoeken bloemen mee en steken kaarsen aan ter nagedachtenis van hen.

Griboyedov trouwde in 1828 met Nino, dochter van de Georgische dichter Alexander Chavchavadze, en kort daarna werd hij door de tsaar als ambassadeur naar Iran gestuurd.

Toen hij in Teheran aankwam, ontdekte hij dat een aantal Georgische vrouwen in de huizen van Iraanse mannen leefde. Volgens de bepalingen van het Turkmenchay-verdrag beschouwde hij hen als krijgsgevangenen en vroeg de Iraanse regering om hun uitlevering.

Uiteindelijk legde Griboyedov druk uit, waarop twee Armeense vrouwen, die volgens de Iraniërs tot de islam waren overgegaan en bij Laleh Yar Khan Asaf al-Dowleh, de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, woonden, zich naar de Russische delegatie wendden. Op bevel van Rustam Beg, een van de Iraanse begeleiders van Griboyedov bij de Russische ambassade, werden de Armeense vrouwen die van plan waren naar Rusland te vluchten naar een nabijgelegen badhuis dicht bij de ambassade gebracht.

Sommigen beschouwen het brengen van de Armeense vrouwen naar het badhuis als het hoogtepunt van de woede van de mensen in Teheran. Veel mensen in Teheran waren boos over het sluiten van het verdrag van Turkmenchay en op 30 januari 1829 vielen enkele mensen, aangezet door een ayatollah, de Russische ambassade aan.

De aanvallers klommen over de muur van de residentie van de ambassadeur en begonnen vandaar te schieten. Een van de eerste kogels bracht Griboyedov neer. Het verminkte lichaam van Griboyedov werd uit Iran naar buiten gebracht en in Tbilisi begraven.

Nino, de vrouw van Griboyedov, wordt onder Georgiërs altijd geprezen omdat zij nooit wilde hertrouwen.

 

Bron: BBC

 

Gerelateerde artikelen

Terug naar bovenkant pagina knop
Beschermd Door
Shield Security