De schaduw van Iraanse vonnissen over een vluchtelingsfamilie; risico op scheiding van achtjarig dochtertje van christelijke ouders

Na het asielgesprek van Sam Khosravi en Maryam Fallahi op 2 juni op het immigratiekantoor van Turkije is een dossier dat jaren geleden begon met de arrestatie van dit christelijke echtpaar in Iran opnieuw in beweging gekomen. Turkse autoriteiten hebben, stellende zich op een in Iran uitgevaardigde voogdijontzegging, de juridische status van het pleegkind van dit gezin in twijfel getrokken; een vonnis dat mensenrechtenactivisten beschouwen als een duidelijk voorbeeld van religieuze discriminatie tegen christenen in de Islamitische Republiek.
Het dossier van Sam Khosravi en Maryam Fallahi, een Iraans christelijk echtpaar dat jaren geleden vanwege hun religieuze overtuigingen doelwit van veiligheidsmaatregelen van de Islamitische Republiek werd, is in een nieuw en zorgwekkend stadium beland. Dit gezin, dat na hun vlucht uit Iran in Turkije woont, werd tijdens het asielgesprek op 2 juni met Turkse immigratieautoriteiten geconfronteerd met de waarschuwing dat de voogdij over hun pleegdochter ‘Lydia’ opnieuw ter discussie zou kunnen komen.
Op basis van gepubliceerde informatie hebben Turkse autoriteiten tijdens dit gesprek verwezen naar vonnis van Iraanse rechtbanken; een vonnis dat enkele jaren eerder de voogdij over Lydia aan dit echtpaar had ontnomen. Dit gezin is nu meegedeeld dat tot de juridische status van het kind in Turkse familierechbanken is bepaald, de behandeling van hun asielaanvraag zal worden opgeschort.
Lydia werd in 2018, toen zij nog maar enkele maanden oud was, via de Iraanse sociale diensten onder toezicht van Sam en Maryam geplaatst. Maar het leven van dit gezin veranderde in de zomer van 2019; toen veiligheidsfunctionarissen een bijeenkomst van christenen in Boesjer binnenvallen en verschillende christelijke burgers, onder wie Sam en Maryam, arresteerden. Daarna veroordeelde een revolutionair tribunaal deze personen wegens ‘propaganda tegen het systeem’; een beschuldiging die organisaties die zich voor godsdienstvrijheid inzetten herhaaldelijk hebben aangewezen als een instrument voor onderdrukking van christenen.
Vervolgens bepaalde een rechtbank in Boesjer dat dit echtpaar niet in staat was hun pleegkind groot te brengen. De rechtbank had gesteld dat Lydia volgens de wetten van de Islamitische Republiek als moslim wordt beschouwd en niet onder toezicht van christelijke ouders mag staan. Dit was ondanks het feit dat de rechter in de zaak zelf had erkend dat tussen het kind en de ouders ‘een diepe emotionele band’ was ontstaan. Ook stelde de rechtbankuitspraak dat, gezien Lydia’s lichamelijke ziekten, de kans dat een ander gezin haar kon opvangen ‘nul’ was. Ondanks deze overwegingen werd de veroordeling tot scheiding van het kind van zijn familie bevestigd.
Destijds protesteerden meer dan 120 Iraanse advocaten en mensenrechtenactivisten in een open brief tegen dit besluit en benadrukten dat de wetten met betrekking tot kindertoezicht in Iran geloof niet als voorwaarde voor geschiktheid tot voogdij stelden. Zij waarschuwden ook dat dit vonnis tegen het belang van het kind inging en in strijd was met Irans internationale verplichtingen op het gebied van kinderrechten.
Nu, enkele jaren later, werpt datzelfde in Iran uitgevaardigde vonnis opnieuw een schaduw over het lot van dit gezin. Sam Khosravi reageerde op het feit dat Turkse autoriteiten zich op de Iraanse rechterlijke uitspraak beriepen door te zeggen dat dit vonnis ‘op grond van de sharia en fiqh’ was uitgevaardigd en geen betrekking had op het belang en welzijn van het kind. Hij benadrukte dat de voogdij over Lydia wettelijk door de Iraanse sociale diensten aan hen was toebedeeld en dat de daaropvolgende documenten ter beschikking van de Turkse autoriteiten waren gesteld.
De voornaamste zorg van dit gezin is dat, als de juridische onzekerheid niet wordt opgelost, de bevoegde instanties in Turkije kunnen beslissen om Lydia van haar ouders te scheiden, die haar vanaf de zuigelingschap hebben grootgebracht. Zo’n gebeuren zou een nieuw hoofdstuk van lijden kunnen zijn voor een gezin dat reeds vanwege hun christendom vervolgingen, arrestatie, veroordeling, beroepsverbod en uiteindelijk ballingschap heeft meegemaakt.
Het dossier van Sam Khosravi, Maryam Fallahi en hun dochter heeft opnieuw de aandacht van mensenrechtenactivisten en verdedigers van godsdienstsvrijheid gevestigd op de vraag hoe rechtsvonnissen gebaseerd op religieuze discriminatie die jaren geleden in de Islamitische Republiek zijn uitgevaardigd, het leven van christelijke burgers zelfs na hun vertrek uit Iran nog kunnen beïnvloeden.




