Misdaad en naschok op nationaal niveau, vertrouwelijk rapport over straatmoorden in Iran

Nationale naschok en openbaring van het massamoordrapport van duizenden Iraniërs op bevel van Khamenei, in geïngenieerde stilte, trok nog een gordijn over de misdaden van de Islamitische Republiek tegen het Iraanse volk.
Verse en schokgende rapporten van binnen de veiligheidstructuur van de Islamitische Republiek schetsen een beeld dat niet langer louter als “onderdrukking van protesten” kan worden aangeduid. Volgens een vertrouwelijk rapport van de Inlichtingendienst van de Pasdaran aan de Nationale Veiligheidsraad, is wat de afgelopen weken en maanden in Iran heeft plaatsgevonden de grootste straatmoord in de hedendaagse geschiedenis van het land; een bloedbad waarbij, volgens dit rapport, meer dan 36.500 mensen op rechtstreeks bevel van Ali Khamenei zijn gedood. Een vertrouwelijk rapport dat is gelekt uit het hart van de Inlichtingendienst van de Pasdaran.
Dit rapport bevestigt ook dat veiligheidstroepen in sommige gevallen gewonden in ziekenhuizen het genadeschot hebben gegeven; een actie die niet alleen een grove schending van mensenrechten is, maar een duidelijk voorbeeld van misdaden tegen de mensheid.
Wat vandaag in Iran gebeurt, is volgens waarnemers een stadium voorbij onderdrukking. De Islamitische Republiek is een periode ingegaan die “naschok” kan worden genoemd; een fase waarin de regering niet eens meer voorgeeeft zich in te houden: “Het doodt, begraft, herschrijft verhalen en verbreekt verbindingen.”
Meer dan twee weken is het land in geïngenieerde stilte verzonken, een stilte die niet het gevolg van chaos is, maar onderdeel van de machtsmechanisme. Het openbare internet, als de belangrijkste levensader van het moderne leven, is gereduceerd tot geruchten en losse fragmenten, en wat overblijft zijn “witte” en geselecteerde netwerken die de regering met zichzelf verbonden houden en de samenleving van het maatschappelijk leven afsnijden.
Deze toestand wordt van buiten vaak als “onrust” beschreven, maar van binnenuit lijkt het meer op het begin van een revolutie met een bloedige prijs.
In deze ruimte van afgebroken verbindingen hebben contacten van burgers van binnen Iran met “het programma” dubbelde betekenis gekregen. Deze contacten zijn geen toespraken, het zijn gevechten. Gebroken stemmen die door zware stilte heen gaan en een vraag stellen die niet langer abstract is: “Wat denkt de wereld precies dat een toeschouwer is?”
Ali uit Mazandaran zei in contact met “het programma” tegen de repressieve troepen van de Islamitische Republiek: “U hoeft uw wapens niet neer te leggen. Niemand is bang voor u.” Hij herhaalt deze zin; niet om moed te tonen, maar als een feit.
Pouria uit Shiraz zei: “De protesteerders hebben geen gewonde achtergelaten en hebben niet toegestaan dat iemand achterblijft of wordt vergeten.” Zijn taal is operationeel en spreekt van een morele grens: laat niemand achter.
Bahram, uit een arbeidersbuurt in Zuid-Teheran, legt uit waarom hij naar de straat is gegaan: “Voor mijn land en voor mijn kinderen.” Mahsa uit Najafabad bracht een eenvoudiger eis naar voren: “Ik wil het verhaal van mijn stad vertellen. In het Iran van vandaag kan het verhaal van een stad misdaad zijn.”
Alia uit Bandar Abbas zegt: “U dacht dat wij bang waren. We zijn niet bang. We zijn boos en wij wachten.” Ze herhaalt de zin: “Ze denken dat wij bang zijn. We zijn niet bang. We zijn boos en wij wachten.”
Deze stemmen herinneren aan het leven van “Raha Bahloulipur”, een studente die op 18 Dey in de buurt van Fatemi-plein in Teheran door vuurwapens van veiligheidstroepen werd gedood. Raha was geen leider, geen organisator, geen politiek gezicht. Ze hield alleen van kunst en muziek. Ze droeg geen slogans, maar werd toch gedood; omdat ze een manier van leven vertegenwoordigde waar de regering bang voor is.
Ze registreerde namen, namen van gearresteerden en vermisten. Ze registreerde mensen als menselijk wezen, niet als nummers. Ze wist hoe onderdrukking begint: niet met kogels, maar met uitwissing.
Navid, arts in Teheran, schetst een beeld van ziekenhuizen die onder druk instorten: aanwezigheid van veiligheidstroepen in afdelingen, gezinnen die wanhopig naar het kleinste bericht zoeken en personeel dat tot aan de grens van moreel letsel is gedreven.
Cijfers en schattingen spreken van doden die voorbij de grens van 30.000 gaan, maar het werkelijke probleem is niet het eindcijfer;
de regering heeft tellen gevaarlijk gemaakt en maakt dan gebruik van dezelfde onduidelijkheid.
De tijd van naschok betekent: “Het doden van mensen is één fase en het bewijzen van de moord is de tweede fase van strijd.”
In de stem van het volk is er geen schok meer, maar vermoeidheid. Geweld dat zo herhaald is dat het voorspelbaar is. Maar dezelfde stemmen zijn het gevaarlijkst voor een autoritair regime: “Documenten, namen, plaatsen en opeenvolging van gebeurtenissen.”
De contacten, publicatie van foto’s en video’s gaan door, zodat meer gordijnen van jaren misdaden van het regime van de Islamitische Republiek tegen het Iraanse volk en Iraanse grondgebied kunnen instorten.




