Brief van Rohani aan Pakistaanse premier in protest tegen dood van tien grenswachten

Naar aanleiding van de dood van tien Iraanse grenswachten in Sistan en Baluchistan diende het ministerie van Buitenlandse Zaken protest in door de Pakistaanse ambassadeur op te roepen en beschuldigde deze van het uitvoeren van de aanval “van het grondgebied” van dit land. Hassan Rohani stuurde ook een brief aan de Pakistaanse premier waarin hij “juridische vervolging” en berechting van de daders van deze aanval eiste.
Volgens het Iraanse staatspersagentschap IRNA maakte Bahram Qassemi, woordvoerder van het Iraanse ministerie van Buitenlandse Zaken, op vrijdag, 28 april, bekend dat de Pakistaanse ambassadeur in Teheran naar het ministerie was ontboden.
Volgens dit bericht deelde de directeur-generaal van West-Azië van het ministerie van Buitenlandse Zaken in dit overleg het protest van de Islamitische Republiek aan de Pakistaanse ambassadeur mee en zei: “Wij verwachten sterk dat de Pakistaanse partij ernstige en fundamentele maatregelen neemt om terroristen aan te houden en hen te straffen.”
Qassemi zei ook dat de Islamitische Republiek verwacht dat Pakistan “door zijn eerdere beloften na te komen” zal voorkomen dat deze incidenten in de toekomst worden herhaald “van de grenzen en het grondgebied” van dit land.
Rond dezelfde tijd werd ook de Pakistaanse viceconsul in Zahedan op donderdag ontboden bij het gouvernementsbestuur van Sistan en Baluchistan, en verweet de gouverneur de regering van dit land haar optreden en eiste meer samenwerking van Islamabad in de bestrijding van “boosdoeners”.
Grenswachtposten “Mal 100” van de eenheid Chahandow (grenspatrouille van Mirjava) werden op woenssdagavond beschoten door gewapende personen en bij deze aanval kwamen tien grenswachten om het leven.
De groep Jaisj al-Adl claimde de verantwoordelijkheid voor deze aanval.
Molavi Abdulhamid, sunnitische bevrijdingspreker van Zahedan, noemde deze aanval ook “lafhartig” en veroordeelde deze.
Eerder had de woordvoerder van het Iraanse ministerie van Buitenlandse Zaken op donderdag van de Pakistaanse regering gevraagd om verantwoording af te leggen over, naar zijn zeggen, “de aanwezigheid en activiteiten van verscheurde groepjes” op eigen grondgebied.
Intussen uitte Hassan Rohani, president van Iran, in een brief aan de Pakistaanse premier zijn “diepe bezorgdheid en ernstig leedwezen” over “herhaalde terroristische aanslagen vanuit Pakistaans grondgebied” op Iran.
Rohani eiste in zijn brief aan Nawaz Sharif dat “de verantwoordelijken voor deze terroristische daad juridisch worden vervolgd en voor het gerechtshof worden gebracht”.
Hij benadrukte dat “ondanks de beloften” van Pakistaanse autoriteiten “voor de zoveelste keer soortgelijke aanslagen door boosdoeners en terroristische groepen van het grondgebied” van dit land tegen Iran zijn gepleegd.
Iraanse militaire en veiligheidstopfunctionarissen hebben Pakistan in recente jaren bekritiseerd vanwege wat zij “vertraging” in het waarborgen van veiligheid aan de gedeelde grenzen noemen.
Hassan Rohani, president, benadrukte in april 2016 tijdens een bezoek aan Pakistan dat de eerder ondertekende veiligheidsovereenkomst tussen de twee landen “operationeel en uitvoerbaar moet worden” zodat Iran de beveiliging van haar grenzen in de provincie Sistan en Baluchistan beter kan waarborgen.
De Pakistaanse premier sprak in 2015 ook tijdens een bezoek aan Teheran en een ontmoeting met de Iraanse president van “vastberadenheid” van dit land om samen te werken met Iran in de strijd tegen de groep Jaisj al-Adl, een van de gewapende groepen die tegen de Islamitische Republiek opstand maken.
In zijn brief beschuldigde de Iraanse president ook zonder naamnoemen enkele landen in de regio ervan dat zij “met hun plaatsvervangingsoorlogen de eenheid van de islamitische wereld ondergraven en proberen met steun voor terroristische acties, geweld, onveiligheid, armoede en achteruitgang in plaats van vooruitgang en bloei en ere en welzijn van de mensen in de regio te zetten”.
Eerder hadden verscheidene hoge functionarissen van de Islamitische Republiek, waaronder Ali Shamkhani, voorzitter van de Raad voor Nationale Veiligheid, Saoedi-Arabië beschuldigd van pogingen om onveiligheid in het oosten en westen van Iran te veroorzaken en “wapens te sturen” en steun te verlenen aan “terroristische groepen” in deze regio.
In dit verband beschuldigde Mohsen Rezaai, voormalig opperbevelhebber van de Revolutionaire Garde en secretaris van het Iraanse Raad voor Bepaling van het Belang, eind juli 2016 Saoedi-Arabië ervan dat het om Iran “onveilig te maken” “een basis in Baluchistan Pakistan” en “een basis” in de regio Koerdistan van Irak had gecreëerd.
De provincie Sistan en Baluchistan in het zuidoosten van Iran is in recente jaren herhaaldelijk het toneel geweest van gevechten tussen militaire en veiligheidstroepen van de Islamitische Republiek en gewapende groepen, die door Iraanse autoriteiten “terroristen”, “smokkelaars” en “boosdoeners” worden genoemd.
De gewapende groepen tegen de Islamitische Republiek in de provincie Sistan en Baluchistan noemen zichzelf echter “verdedigers van de rechten van de soennieten”.
Bron: Radio Farda




