Iran Nieuws

Waarom hebben religieuze minderheden geen nominatierecht voor het presidentschap?

Tot dusver is het nominatierecht voor deelneming aan de verkiezingen voor het presidentschap van Iran niet gegeven aan kandidaten van het soennische geloof. Volgelingen van andere religies zijn evenmin uitgesloten van deze praktijk en zijn met de wet van de Islamitische Republiek uit de wedstrijdkampioenschappen verdreven.

Deze ontzegging nam inderdaad bredere afmetingen aan toen Ahmad Jannati, secretaris van de Raad van Toezichthouders, in een omzendbrief die de mening van de theologen van deze raad bevat, de “betrokken autoriteiten” verzocht om in gebieden met een moslimmeerderheid ook de goedkeuring van kandidaten van religieuze minderheden bij de raadsverkiezingen te voorkomen.

De International Campaign for Human Rights in Iran heeft met Hashem Dasseh, voormalig parlementariër, gesproken over de beroving van religieuze minderheden van deelneming aan politieke macht. Dasseh is van mening dat het niet toestaan dat deze minderheden deelnemen aan politieke wedstrijden, vooral voor hoge regeringsposities, wortels heeft in de grondwet van de Islamitische Republiek en dat deze grondwet herzien moet worden.

In dit gesprek wordt verwezen naar artikel 12 van de Iraanse grondwet. In dit artikel staat dat de officiële religie in Iran de Twaalf-Sjiitische Jafaritische school is, en dat “andere islamitische scholen, inclusief de Hanafitische, Shafi’itische, Malikitische, Hanbalitische en Zaidische, volledige respect genieten en volgelingen van deze scholen vrij zijn om religieuze ceremonies uit te voeren volgens hun eigen jurisprudentie.”

Artikel 115 als barrière voor religieuze minderheden en vrouwen

Volgens artikel 115 van de Iraanse grondwet “moet de president worden gekozen uit mannelijke religieuze en politieke figuren die aan de volgende voorwaarden voldoen: Iraans van geboorte, onderdaan van Iran, behoorlijk en voorzichtig beheerder, met een goede staat van dienst en vertrouwenswaardige eerbaarheid en vroomheid, gelovige en toegewijd aan de principes van de Islamitische Republiek van Iran en de officiële religie van het land.”

Op deze manier zijn velen, degenen die niet als “man” worden beschouwd en niet-sjiitische moslims, uitgesloten van kandidaatstelling in de presidentsverkiezingen en kunnen zij niet president van dit land worden.

Hashem Dasseh, afgevaardigde van Sardasht en Piranshahr in het zesde parlement, vertelt tegen de International Campaign for Human Rights in Iran over zijn en andere soennieten protest tegen dit artikel: “Zowel ik als politieke activisten en degenen die voor de revolutie hebben gewerkt, protesteren. Een soeniet die voor dit systeem heeft betaald, is buitengesloten en dit leidt tot onmacht en scheuring, het zorgt ervoor dat dezelfde nationale eenheid en nationale cohesie in de praktijk nergens toe kan leiden.”

Hij heeft ook gezegd dat: “In alle vergaderingen en politieke bijeenkomsten en vergaderingen van de Soennische en Koerdische elite worden deze protesten regelmatig naar voren gebracht.”

Dasseh uitte de hoop dat verantwoordelijken deze ontzegging zouden omzetten in een zorg op macro-niveau en er niet voorbij zouden gaan. Hij zei tegen de mensenrechtenorganisatie: “Een van onze onderwerpen in privévergaderingen is precies dit. We kunnen het niet eens openbaar maken omdat het gevoeligheid kan veroorzaken. We protesteren en hopen dat vooraanstaande geleerden in Qom om redenen van nationale eenheid zich zullen inzetten en dit probleem voor altijd zullen oplossen. Op dit moment zijn minstens 20 miljoen Iraanse soennieten en andere religieuze minderheden uitgesloten van deze deelneming. Als het presidentschap goed voor hen is, dat wil zeggen goed voor de sjiieten, waarom zou het niet goed voor mij als soeniet zijn? Dit is de kernvraag en zal een negatief effect hebben op toekomstige generaties.”

Gevolgen van discriminatie en ongelijkheid

Provincies waarvan de bevolking voornamelijk soennisch van geloof is, zijn vooraf al beroofd van veel faciliteiten en deze ontzegging heeft al jaren aanleiding gegeven tot diepe onvrede onder de bevolking van deze regio’s. Naast economische ontzeggingen hebben ook sociale en politieke ontzegingen een zware schaduw geworpen op het leven van soennieten in Iran.

De voormalige parlementariër waarschuwde: “Als deze discriminatie en deze ongelijkheid tot ontevredenheid leidt, kan het zich transformeren in andere kwesties die we in buurlanden zien. Ik hoop dat Iran zich nooit in die richting beweegt. Rationaliteit zou plaats moeten maken die zich op een mild en begripvol manier met deze kwesties bezighouden en in de praktijk zouden mensen het resultaat hiervan moeten zien.”

De soennische minderheid in Iran is uitgesloten van veel hoge regeringsposities. De hoogste positie die een soeniet in de Iraanse regering heeft bereikt was vice-minister of ambassadeur in landen als Vietnam en Cambodja tijdens de periode-Rouhani.

Vertegenwoordigers van de soennische minderheid en de Koerdische provincies van Iran hebben slechts 21 zetels in het parlement voor zichzelf opgeëist. De International Campaign for Human Rights in Iran heeft geschreven dat Mohammad Qassem Osmani, afgevaardigde van Boukan en lid van de Hope-fractie, de eerste soennische afgevaardigde is die in 38 jaar tot het presidium van het parlement is doorgedrongen.

 

Bron: DW

Gerelateerde artikelen

Terug naar bovenkant pagina knop
Beschermd Door
Shield Security