Elf VN-rapporteurs: Systematische schendingen van mensenrechten en onderdrukking van christenen in Iran

Een brief van VN-rapporteurs onthult schendingen van mensenrechten en onderdrukking van christenen in Iran en waarschuwt ernstig voor wijdverbreide arrestaties en executies.
Elf speciale rapporteurs van de Verenigde Naties, onder wie “Mai Sato”, speciaal rapporteur over de mensenrechtensituatie in Iran, en “Nazila Ghanea”, speciaal rapporteur over vrijheid van religie en overtuiging, hebben in een open brief aan de Islamitische Republiek hun bezorgdheid geuit over wijdverspreide en georganiseerde schendingen van mensenrechten. Deze deskundigen vroegen in genoemde brief om onmiddellijke uitleg en verantwoording van de Iraanse autoriteiten.
In deze brief worden zaken aangekaart zoals de arrestatie van maatschappijactivisten, onderdrukking van religieuze en etnische minderheden en toenemende executies. De rapporteurs hebben gewaarschuwd dat arrestatiegolven in strijd zijn met artikel 2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten; een verdrag dat Iran ook heeft ondertekend. In een deel van dit artikel staat: “De staten die partij zijn bij dit verdrag, verplichten zich de in dit verdrag erkende rechten te eerbiedigen en te verzekeren voor alle personen onder hun rechtsmacht, zonder onderscheid naar ras, huidskleur, geslacht, taal, religie, politieke of andere overtuiging, nationale of sociale afkomst, vermogen, geboorte of enige andere status.”
Terwijl de Verenigde Naties herhaaldelijk waarschuwingen hebben gegeven over druk op religieuze minderheden in Iran, heeft het Ministerie van Inlichtingen van de Islamitische Republiek in een recent rapport melding gemaakt van de arrestatie van 53 christelijke burgers en beschuldigd hen van “anti-veiligheidactiviteiten”. Dit ministerie beweerde dat deze personen opereerden onder het zogenaamde “zionistische christelijke bekering” met training van buiten het land.
Talrijke verslagen wijzen ook op arrestaties van baha’i-volgelingen, joden en andere minderheden. Naast deze gevallen hebben baloutchen ook doelwit van een nieuwe drukgolf te zijn.
De rapporteurs van de Verenigde Naties verwezen in hun brief naar een verergering van onderdrukking na de 12-daagse oorlog en noemden ook andere sleutelkwesties die als volgt luiden:
- Sinds 23 Khordad 1404 zijn minstens 6 personen ter dood veroordeeld en geëxecuteerd op beschuldiging van spionage voor Israël, onder wie drie Koerdische mannen en één Iraakse burger.
- “Ahmadreza Jalali”, Iraans-Zweeds arts en onderzoeker, loopt een serieus risico van onmiddellijke executie.
- “Hossein Ronaghi”, blogger en mensenrechtenactivist, is samen met zijn broer gearresteerd.
- Het internet is ernstig beperkt en de gerechtelijke macht heeft sms-berichten verzonden waarin het volgen van pagina’s met betrekking tot Israël voor burgers als “misdadig” wordt aangemerkt.
- Haatdiscours in overheidsmedia is toegenomen.
- Een nieuw wetsontwerp van het Iraanse parlement beschouwt enige informatieve, media- of economische samenwerking met “vijandige” staten als “verderver op aarde” en voorziet in de doodstraf.
- Honderden gevangenen zijn van Evin naar Fashafuyeh en Qarchak overgebracht. Omstandigheden beschreven zonder medicijnen, schoon drinkwater en zelfs bedden.
Dit is niet de eerste keer dat deskundigen van de Verenigde Naties hun bezorgdheid hebben geuit over de situatie van christenen in Iran. Eerder is ook in een andere brief gewaarschuwd voor systematische druk op christelijke burgers. Desondanks stelde de Islamitische Republiek in antwoord: “In Iran is er geen ketterij, geen marteling om bekentenissen te krijgen, geen discriminatie en geen willekeurige arrestaties.” Ook benadrukte men dat gearresteerde christenen werden veroordeeld vanwege “banden met zionistisch christendom”, een bewering die herhaaldelijk zonder bewijzen tegen deze burgers is geuit.
Volgens VN-protocollen heeft de regering van Iran 60 dagen de tijd om op deze nieuwe brief te antwoorden. De realiteit is dat de Islamitische Republiek vooral religieuze minderheden als doelwit heeft gekozen. Christelijke burgers zijn herhaaldelijk gearresteerd op ongegronde beschuldigingen zoals “christelijk zionisme” of “handelingen tegen nationale veiligheid”, terwijl hun aanbidding en persoonlijk geloof geen misdaad vormt, schept de Iraanse regering door verdachtmakingen en dossiervorming een atmosfeer van angst en terreur.
De onderdrukking van christenen is slechts een deel van een breder patroon waarvan baha’i’s, joden, koerden en baloutchen ook slachtoffers zijn. Deze onderdrukking gaat gepaard met economische crisis, executies zonder proces en ernstige beperkingen van de vrijheid van meningsuiting.
De recente brief van elf VN-rapporteurs toont aan dat de wereld niet alleen getuige is van deze schendingen van mensenrechten, maar ook verantwoording van de Iraanse regering verlangt. Maar de kernvraag blijft: “Hoe lang moeten christenen en andere religieuze minderheden de prijs voor hun geloof en identiteit betalen met gevangenis, ontbering en bedreigingen?”




