Iraanse activisten protesteren tegen straf in eenzame opsluiting

Maandag 11 Esfand dienden een groep politieke en burgeractivisten bij het kantoor van gerechtelijke diensten in Teheran een klacht in tegen het gebruik van eenzame opsluiting tegen gedetineerden en gevangenen. Deze politieke activisten beschouwen het opleggen van eenzame opsluiting aan gevangenen en gedetineerden als een duidelijk voorbeeld van schending van internationale wetgeving en als een openlijke vorm van marteling van gevangenen.
Het onder druk zetten van gevangenen door langdurige opsluiting in eenzame cellen is al lange tijd gebruikelijk in het gerechtelijke systeem van de Islamitische Republiek Iran. Deze strafmaatregelen worden doorgaans tijdens het verhoor van gedetineerden toegepast met het doel psychologische druk uit te oefenen om informatie af te dwingen en gedwongen valse bekentenissen te verkrijgen van arrestanten en gevangenen.
In de gezamenlijke klacht van burgeractivisten en voormalige politieke gevangenen staat: “Volgens binnenlandse en internationale regelgeving is het ophouden van verdachten in eenzame cellen in strijd met wettelijke bepalingen en tegen de grondwet van de Islamitische Republiek Iran en is het een duidelijk voorbeeld van marteling en straffen genoemd in artikelen 570 en 579 van de Islamitische Strafwet. Daarom eist de klacht de vervolgingen van alle bevelhebbers, daders, ambtenaren en autoriteiten die het bevel tot opsluiting in eenzame cellen hebben gegeven.”
Volgens deze burgeractivisten “ondanks burgerlijke en mensenrechtenprotesten om het ophouden van verdachten in eenzame cellen te stoppen, blijft deze praktijk voortbestaan, terwijl opsluiting van verdachten in eenzame cellen in geen enkele wettelijke bepaling is voorzien.”
Onder de aanwezigen voor het kantoor van de gerechtelijke diensten waren figuren als Narges Mohammadi, Farangis Mazloom, Zia Nabavi, Hamid Assafi, Ahmadreza Haeri, Kourosh Zaeim, Ashkan Razavi, Siavash Hatam, Majid Mosafar, Milad Fadaie, Zhila Baniyaghob, Behman Ahmadi Amouie, Majid Mosafar, Farshad Ghorbānpour, Rasoul Badaghi, Marzieh Rasoli, Mohammad Karimi, Ibrahim Allah Bakhshi, Arash Keykhosravi, Akbar Amini Armaki, Zahra Towheedi, Alireza Khoshbakht en Faezeh Hashemi. Een aantal anderen, waaronder Jafar Panahi, Khosrouseif, Mohammad Ali Amoui, Mahmoud Beheshthi en Saeed Madani dienden hun klachten in via hun advocaten bij andere kantoren.
Er bestaat geen wet in Iran die eenzame opsluiting rechtvaardigt
In de huidige Iraanse wetgeving bestaat er geen wet of verordening die eenzame opsluiting van gevangenen rechtvaardigt; artikel 524 van de Iraanse strafprocedurewet erkent eenzame opsluiting voor veroordeelden niet. In artikel 524 van de Iraanse strafprocedurewet (herziening 2015) staat: “In geval van schending van de tucht door een gevangene wordt een van de volgende straffen bepaald door de tuchtcommissie met inachtneming van proportionaliteit en na goedkeuring door de rechter in executieverband: a) Overplaatsing uit beroepsopleidigscentra en tewerkstelling naar gesloten of halfopen gevangenis b) Uitsluiting van bezoeken voor maximaal drie keer c) Uitsluiting van verlof voor maximaal drie maanden d) Uitsluiting van gratieverzoeken en voorwaardelijke vrijlating voor maximaal zes maanden.”
Aan de andere kant bestaat er geen wettelijke bevoegdheid in Iran voor het toepassen van eenzame opsluiting; de Administratieve Gerechtshof van het land vernietigde in december 2003 punt 4 van artikel 169 van de uitvoeringsregeling van de Iranische Gevangenisorgenisatie met betrekking tot “het toepassen van eenzame opsluiting tot één maand als tuchtmaatregel voor gevangenen” en verklaarde dit onwettig en nietig.
De beslissing van het Administratieve Gerechtshof om eenzame opsluiting onwettig te verklaren was gebaseerd op artikel 36 van de Grondwet van Iran, volgens welk “straffen alleen kunnen worden opgelegd en uitgevoerd door een bevoegd gerechtshof en in overeenstemming met de wet.”
Artikel 39 van de Grondwet van Iran zegt ook: “Het is verboden om op welke manier dan ook de waardigheid en eer van iemand die krachtens de wet is gearresteerd, gedetineerd, gevangen gezet of verbannen, aan te tasten, en dit veroorzaakt straf.”
Volgens artikel 579 van de Islamitische Strafwet: “Indien enige overheidsambtenaar een veroordeelde zwaarder straft dan het uitgevaardigde vonnis bepaalt of een straf toepast die niet in het vonnis voorkwam, zal hij tot zes maanden tot drie jaar gevangenisstraf worden veroordeeld.”
In het vonnis van het Hoogste Administratieve Gerechtshof inzake vernietiging van punt 4 van artikel 169 van de uitvoeringsregeling van de Gevangenisorgenisatie staat: “Gelet op het feit dat de wetgever geen bepaling heeft gegeven voor eenzame opsluiting als straf, en aangezien de uitvoering daarvan, die tot gevolg heeft dat gevangenen worden beroofd van contact met andere gevangenen en tot psychische en ongerechtvaardigde gevolgen leidt, een duidelijk voorbeeld is van strengheid in de wijze en vorm van uitvoering van gevangenisstraf, is punt 4 van artikel 169 van de uitvoeringsregeling van de Gevangenisorgenisatie met betrekking tot het toepassen van eenzame opsluiting tot één maand als tuchtmaatregel voor gevangenen in strijd met de wet en buiten de bevoegdheden gesteld in artikel 9 van de wet inzake omzetting van de Raad van Toezichthouders van Gevangenisinstellingen en beveiligings- en onderwijsmaatregelen van het land in de Organisatie van Gevangenisinstellingen en beveiligings- en onderwijsmaatregelen van het land, aangenomen in 1985.”
Volgens een advocaat in Iran: “Elk gerechtelijk bevel tot overplaatsing van een gevangene naar eenzame opsluiting is willekeurig en onwettig.”
Daarnaast is het toepassen van eenzame opsluiting ook een duidelijke schending van de bepalingen 1, 6, 7 en 9 van de wet “Eerbied voor rechtmatige vrijheden en bescherming van burgerrechten”, een wet die in 2004 door het Iraanse parlement werd goedgekeurd. Eenzame opsluiting is ook een vorm van marteling van veroordeelden, zoals bedoeld in artikelen 570 en 579 van de Islamitische Strafwet.
Aan de andere kant erkent artikel 9 van de Iraanse burgerlijke wetgeving internationale verdragen die door Iran zijn ondertekend als gelijkwaardig aan binnenlandse wetgeving. Daarom en omdat Iran een ondertekenaar van het “Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten” is, is de Islamitische Republiek verplicht zich aan dit internationale verdrag te houden; artikel 7 van dit internationale verdrag bepaalt: “Niemand mag aan marteling of wrede, onmenselijke of onterende behandeling of straf worden onderworpen.”
Eerder, in 2009, zei Hashemi Shahrudi, voormalig hoofd van de gerechtelijke macht, in een interview dat eenzame opsluiting in strijd is met de wetten van de Islamitische Republiek Iran.
Eenzame opsluiting; wapen van de Revolutionaire Garde en het Ministerie van Inlichtingen voor verhoor en afdwinging van bekentenissen van gedetineerden
De praktijk van eenzame opsluiting door veiligheidsorganen van de Islamitische Republiek Iran is in recente jaren zeer gebruikelijk geworden; de inlichtingendienst van de Revolutionaire Garde enerzijds als onafhankelijk veiligheidsorgaan dat niet onder de regering valt en dicht bij de leider van de Islamitische Republiek staat, en het Ministerie van Inlichtingen van de regering van Hassan Rohani anderzijds.
Deze twee veiligheidsorganen hebben exclusief toezicht over bepaalde afdeling in gevangenen. Fysieke en psychische druk en het opleggen van eenzame opsluiting aan gevangenen in afdelingen onder controle van veiligheidsorganen wordt uitgeoefend zonder enig toezicht, en deze veiligheidsorganen zijn nooit aansprakelijk voor hun onwettige gedrag.
Gerechtelijke autoriteiten van de Islamitische Republiek Iran handelen in de meeste zaken waarin individuen (meestal burgeractivisten en mensenrechtenactivisten) worden geconfronteerd met beschuldigingen met betrekking tot nationale veiligheid onder bevel van veiligheidsorganen en noemen zichzelf in bepaalde zin “veiligheidsjudicials”. Rechtbanken die in sommige gevallen onbeperkte bevoegdheden hebben en in sommige gevallen ertoe leiden dat een gearresteerde meer dan een jaar in eenzame opsluiting wordt gehouden. Deze rechters zijn in feite alleen verantwoording schuldig aan hun meerderen in beveiligheidsapparaten en houden zich zelden aan de goedgekeurde wetten en regelgeving van het land.
Eenzame opsluiting wordt in de meeste gevallen tijdens het verhoor en onderzoek van gevangenen opgelegd. Documentatie en een lange geschiedenis van gerechtelijke autoriteiten tonen aan dat marteling van gedetineerden en afdwinging van valse bekentenissen tijdens eenzame opsluiting heeft plaatsgevonden. Gedwongen bekentenissen die doorgaans door officiële Iraanse media zoals televisie worden uitgezonden, zodat tegelijk de waardigheid van gevangenen wordt geschonden en deze bekentenissen als bewijs en getuigenis voor de veroordeling van gedetineerden kunnen worden gebruikt.
In sommige gevallen hebben gerechtelijke autoriteiten, ondanks protesten van advocaten van gevangenen, gevangenen uit gemeenschappelijke cellen naar eenzame cellen overgeplaatst voor toekomstige verhoren.
Eenzame opsluiting is meestal voorbehouden aan politieke tegenstanders, ideologische gevangenen en burgeractivisten. In recente jaren is deze straf echter ook tegen personen toegepast die vanwege financiële zaken zijn gearresteerd. Bovendien wordt eenzame opsluiting al jarenlang in politiebureaus tegen personen die betrokken zijn bij gewelddadige misdrijven zoals moord of gewapende overvallen toegepast.
Volgens veel juridische deskundigen in Iran vergemakkelijkt het gebrek aan openbare bewustzijn en gevoeligheid over dergelijke maatregelen het wijdverbreide gebruik van eenzame opsluiting als straf voor gearresteerden.
Volgens deskundigen van juridische kwesties in Iran, tegelijkertijd met de indiening van de recente klacht van burgeractivisten over eenzame opsluiting bij de gerechtelijke diensten, kan het indienen van deze klacht bij de commissie voor artikel 90 van het Iraanse parlement en opvolging in uitvoeringsorganen van de wetgevende en gerechtelijke macht, alsmede opvolging door de president van het land als verantwoordelijke voor de uitvoering van de grondwet, kunnen helpen bij de effectiviteit en resultaat van deze gezamenlijke klacht van maatschappelijke en burgeractivisten in Iran.
In 2017 vroeg Narges Mohammadi, mensenrechtenactivist die toen in gevangenschap was, in een open brief aan de commissie voor artikel 90 van het Iraanse parlement om oprichting van een commissie om de juridische en veiligheidsaspecten van het fenomeen “eenzame opsluiting” in Iraanse gevangenen te onderzoeken en eiste het einde van de praktijk van eenzame opsluiting tegen gevangenen. In een deel van de brief van Narges Mohammadi staat: “Het ophouden van verdachten in eenzame cellen is volgens de wetten en regelgeving van het systeem van de Islamitische Republiek Iran (naar aanleiding van het advies van de algemene vergadering van het Administratieve Gerechtshof) onwettig en een duidelijke schending van de principes van de grondwet en een aantasting van de rechten en waardigheid van de gevangene”.
Bron: Iran Human Rights Campaign




