Wereldgebeurtenissen

Rechtszaak tegen Hamid Nouri in Zweden, een belangrijk moment in de politieke geschiedenis van Iran

Dinsdag deze week, 19 Mordad, zal een gerechtszaak in Stockholm, Zweden plaatsvinden waarbij de verdachte een Iranir is; hij wordt beschuldigd van betrokkenheid bij een massamoord die 33 jaar geleden in een Iraanses gevangenis plaatsvond.

De verdachte in deze rechtszaak is Hamid Nouri, ook bekend als Hamid Abbasi. Volgens de informatie in het dossier werkte Hamid Nouri in de periode augustus en september 1988 als griffier en assistent van de waarnemend officier van justitie – Mohammad Moghiseh, onder de schuilnaam Nasarian – tijdens de massamoord op politieke gevangenen in de gevangenis van Gohardasht in Karaj.

Nouri wordt beschuldigd van opzettelijk het leven te hebben genomen van talrijke politieke gevangenen, grotendeels leden of aanhangers van de Organisatie Moedjaheddien-e Khalq van Iran, en ook leden van linkse groeperingen en andere groepen, in samenspanning en overleg met andere daders.

Hamid Nouri arriveerde op 8 november 2019 met een directe vlucht vanuit Iran op het vliegveld van Stockholm en werd onmiddellijk gearresteerd. Deze actie werd ondernomen op basis van het universeel jurisdictiebeginsel en de Zweedse wetten, onder de noemer van misdrijven tegen de mensheid, zware misdrijven en oorlogsmisdrijven en opzettelijke moord. Dit beginsel stelt binnenlandse rechtbanken van landen in staat verdachten zonder rekening te houden met hun nationaliteit en in welk land het misdrijf heeft plaatsgevonden, voor binnenlandse rechtbanken te vervolgen.

De arrestatie van Hamid Nouri vond plaats met hulp van enkele personen en de cruciale rol van Iraj Mesdaghi, een voormalig politiek gevangene, in een vooraf coördineerd plan door het Zweedse openbaar ministerie.

Het definitieve arrestatiebevel werd vijf dagen na de arrestatie, op 22 november 2019, uitgevaardigd. Hij is de eerste verdachte van de moorden in 1988 die is gearresteerd en voor het gerecht verschijnt, en wel buiten het land waar het misdrijf heeft plaatsgevonden.

De aanklacht tegen Hamid Nouri is ingediend door de afdeling van het Zweedse openbaar ministerie voor internationale misdrijven en georganiseerde criminaliteit, en specifiek door de aanklager van die afdeling, Christina Lindholm Carlson, en is ingediend bij de Zweedse justitiële autoriteiten.

Bij bestudering van de aanklacht stellen we vast dat het openbaar ministerie Hamid Nouri beschuldigt van martelingen, onmenselijk behandeling en executies van gevangenen van de Moedjaheddien, in schending van ernstige internationale wetten zoals artikel 147 van de Vierde Geneefse Conventie en ernstige schending van artikel drie daarvan. Met betrekking tot gevangenen van linkse partijen wordt Nouri beschuldigd van opzettelijke moord; dat wil zeggen, in samenwerking en deelname met andere verdachten en tijdens een onrechtvaardig proces, het mogelijk maken en in sommige gevallen uitvoeren van doodsvonnissen van de doodcommissie.

De aanklacht van het Zweedse openbaar ministerie bevat de namen van 110 Moedjaheddien-gevangenen en 26 gevangenen die bij linkse partijen hoorden die in de gevangenis van Gohardasht zijn geëxecuteerd. Ook de namen van 23 Moedjaheddien-sympathisanten staan erin die uit deze massamoord zijn ontsnapt.

In een ander gedeelte van deze aanklacht vinden we de namen van personen die als getuige in de rechtszaak zullen getuigen, waarbij hun belangrijkste rol de identificatie en bevestiging van de identiteit van Hamid Nouri onder de schuilnaam Hamid Abbasi zal zijn. De verklaringen van de getuigen in de aanklacht tonen aan dat Hamid Nouri een van de hoofdpersonen in de gevangenis van Gohardasht was die belast was met het toezicht op gevangenen, het leiden naar de doodcommissie en later deelname aan hun executies.

Aan het einde van de aanklacht staan de namen van zeven deskundigen die specialistische verklaringen zullen geven over de vraag of het conflict tussen de Organisatie Moedjaheddien en de Iraanse regering een binnenlands militair conflict of een internationaal conflict was. Deze deskundigen zullen ook hun mening geven over de uitkomst van de fatwa of het decreet van Ayatollah Khomeini en de vraag of gevangenen van de Organisatie Moedjaheddien onder de bescherming van de Vierde Geneefse Conventie en enkele van de aanvullingsprotocollen daarvan vielen. De eisers in de zaak zijn in vier groepen verdeeld en vier advocaten zullen elk afzonderlijk een groep vertegenwoordigen. Daniel Markus en Thomas Söderqvist zijn de twee advocaten van Hamid Nouri in deze rechtszaak.

Volgens de aanklacht beschouwt het openbaar ministerie de militaire aanval van de Organisatie Moedjaheddien-e Khalq vanuit Iraaks grondgebied op Iran als onderdeel van een internationaal militair conflict. Het openbaar ministerie heeft opgemerkt dat zelfs als dit conflict niet als een internationaal gewapend conflict wordt beschouwd, het moet worden beschouwd als een binnenlands en niet-internationaal gewapend conflict dat plaatsvond op 26 juli 1988 tussen Iran en de politieke organisatie Moedjaheddien-e Khalq van Iran.

De aanklacht van het openbaar ministerie bevat 65 documenten en bewijsstukken. Deze documenten bevatten bewijsstukken van families van slachtoffers, rapporten van Amnesty International en Iran Tribunal, boeken en bewijzen aangeleverd door enkele gevangenen die deze massamoord hebben overleefd, zoals Iraj Mesdaghi, en niet-gouvernementele organisaties zoals de Abdorrahman Boroumand Foundation en Justitie voor Iran, die ter beschikking zijn gesteld van het openbaar ministerie en de rechtbank.

Hamid Nouri was geen lid van de doodcommissie, maar volgens de aanklacht wordt hij beschouwd als een medeplichtige die betrokken was bij martelingen, onmenselijke behandeling en uiteindelijk moorden, en deze vergemakkelijkt had.

De leden van de doodcommissie in Teheran waren vier personen: Morteza Eshraqi, die rechtstreeks door Ayatollah Khomeini in de fatwa van de massamoord lid van deze commissie werd. Hossein Ali Nayeri, Mostafa Pourmohammadi en Ibrahim Raisi, de huidige president van Iran, die op dat moment adjudant van de officier van justitie van de Revolutionaire rechtbank van Teheran was.

Overlevenden van de massamoord en families van slachtoffers en aanhangers van de Iraanse gerechtigheidsbeweging hopen sterk dat de rechtszaak tegen Hamid Nouri een beginpunt zal zijn voor internationale onderzoeken naar de moorden in de jaren tachtig, met name de moorden in de zomer van 1988, en de berechting van de daders en opdrachtgevers, met name Ibrahim Raisi, de president van Iran.

Volgens Zweeds recht zal de meest ernstige straf voor Hamid Nouri in geval van veroordeling levenslang zijn.

In deze zaak is de wijze van handelen van tegenstanders van de Iraanse regering, de samenwerking en interactie van de Organisatie Moedjaheddien-e Khalq en linkse groepen en voormalige of huidige aanhangers en leden van de Organisatie Moedjaheddien gekenmerkt door veel opstoten. Deze zaak is niet alleen belangrijk vanuit het perspectief van mensenrechten en humanitaire aspecten, maar de arrestatie en vervolging van Hamid Nouri voor een rechtbank van een ander land is ook een van de belangrijkste politieke gebeurtenissen in de Iraanse geschiedenis, met name in de geschiedenis van de Iraanse gerechtigheidsbeweging.

 

Bron: Voice of America

Gerelateerde artikelen

Terug naar bovenkant pagina knop
Beschermd Door
Shield Security