“Verzet van vrouwen tegen discriminatie onder de oppervlakte van de Iraanse samenleving groeit”

Meer dan 200 activisten uit vrouwen- en andere civiele organisaties hebben in een verklaring de “onderdrukking en hypocrisie” van de autoriteiten van de Islamitische Republiek aangeklaagd in hun aanpak van ondergrondse bewegingen in de samenleving, en hebben hun steun uitgesproken voor protestbewegingen van vrouwen en andere civiele en politieke activisten.
De titel van de verklaring, ondertekend door meer dan 200 Iraanse civiele, politieke en culturele activisten, luidt: “Laten we samen tegen misdaden en staatsonderdrukking in Iran protesteren!” De aanleiding voor de verklaring is het sterfgeval van Sahr Khodayari, het “blauwe meisje”, dat zelfverbranding pleegde nadat ze onder druk van de gerechtelijke macht was gesteld omdat ze had geprotesteerd tegen het verbod op vrouwen om stadions in te gaan. In de verklaring staat dat de dood van Sahr Khodayari “een oude wond heeft geopend, waaronder arrestaties en zeer zware straffen, marteling en gedwongen bekentenissen, zweepstraffen en het stellen van zware borgsom voor civiele activisten, arbeiders en leraren, het sluiten van verenigingen en invallen op bijeenkomsten.”
De auteurs van de verklaring gaan vervolgens in op “de gruwelijke omvang van onderdrukking en intimidatie enerzijds en heuchelarij en bedrog anderzijds” in de Islamitische Republiek.
In de verklaring wordt uitgesproken dat er geen enkel vertrouwen is in Ebrahim Raissi, de huidige hoofd van de gerechtelijke macht die een van de leden was van de doodsvonnis-commissie van de massamoord in de zomer van 1988, en wordt gezegd dat hij nu onder het vaandel van “corruptiebestrijding” het podium is betreden en spreekt van “herziening en billijke behandeling van enkele recente zaken”. De verklaring verwijst naar het geval waarin Ebrahim Raissi op 17 september, na toenemende kritiek op vonnissen, beval de vonnissen uitgesproken in tak 28 van de revolutierechtbank opnieuw te overwegen in totaal 110 jaren gevangenisstraf voor enkele civiele en arbeidersactivisten.
In de verklaring wordt herinnerd dat Ebrahim Raissi jarenlang in het gerechtelijk apparaat werkzaam was en tien jaar waarnemend hoofd ervan, en daarom zelf medeverantwoordelijk is voor de corruptie waartegen hij nu wil vechten.
De ondertekenaars van de verklaring zeggen: “Gisteren nog collega’s zijn plotseling tegenstanders geworden. In de machtstrijd beschuldigen zij elkaar, trekken elkaar omlaag om zich aan verantwoordelijkheid voor de crisis te onttrekken. Ze hebben het spel van ‘eigenwijsheid’ hervat om opnieuw door toneel en bedrog, onderdrukking en structurele corruptie in het regeringsstelsel achter ‘extremisme’, ‘afwijking’ en ‘persoonlijk misbruik’ te verbergen.”
Naar hun zeggen zijn de verschillende reacties van de autoriteiten van de Islamitische Republiek op de zelfverbranding van Sahr Khodayari een voorbeeld van een “schaamteloze vertoning” waarvoor zij het volk hebben gedwongen toe te kijken. Ze bedreigen de familie van Sahr Khodayari enerzijds en treden anderzijds “in de rol van slachtofferpleitbezorger op het podium.”
Volgens de auteurs van de verklaring is de voorstelling die voor het volk wordt opgevoerd bedoeld om hun aandacht af te leiden van de werkelijkheid die in het hart van de Iraanse samenleving plaatsvindt, namelijk de groeiende ontevredenheid en protesten, en het verzet tegen de onderdrukking van vrouwen en het ter discussie stellen van geslachtsdiscriminatie en het aanwezig zijn in zogenaamde verboden gebieden, het verlangen naar verandering van de wet en burgerlijke ongehoorzaamheid en het ter discussie stellen van de structuur van politieke en culturele macht.
In de verklaring wordt vooral nadruk gelegd op vrouwenprotestbewegingen en hun voorgaande rol in civiele protesten: “Vrouwen zijn opgestaan om gelijkheidsrechten, steunend op hun kracht en creativiteit, op de troon te zetten. Meisjes van Revolution Street hebben het afzetten van verplichte hijab versneld en duidelijk gemaakt. Vrouwen hebben door zang en zelfs dans op openbare plaatsen het verbod op solo-vrouwelijk gezang overtreden. Vrouwen zetten hun protest tegen het verbod op toegang tot voetbalstadions voort, wat jaren geleden begon met protestzittingen voor stadions, met vermomde kleding of andere vormen.”
Voorts lezen we dat vrouwen ook marteling, gedwongen bekentenissen en andere druk op gevangenen hebben onthult, en dat vrouwen en mannen samen door het doen van verklaringen de structuur van de religieuze regering hebben ontkend.
Tot de ondertekenaars van deze verklaring behoren Mehrangiz Kar, Ahmad Karimi Hakkak, Iraj Mesdaghi, Bahman Nirumand, Parasto Forouhar, Pouran Eskandar, Reza Alamehzadeh, Raqia Daneshgari, Shirin Ebadi, Abdolfattah Soltani, Ladan Boroumand, Mahnaz Parachand, Nasser Pakdaman, Nilofar Bayramlou en Mihan Rusta. Dit zijn slechts enkele van de namen van ervaren en bekende civiele activisten.
De ondertekenaars eindigen hun verklaring met de eis tot afschaffing van ter dood veroordeling en marteling, vrijlating van alle politieke en vakbondsgevangenen, afschaffing van verplichte hijab en geslachtsdiscriminatiewetten, en ontmanteling van vervolg- en veiligheidsintimidering en oneerlijke processen.
Bron: DW




