Verzoek van advocaten en politieke gevangenen om intrekking van besluit Hogere Raad voor Nationale Veiligheid

Een groep advocaten, huidige en voormalige politieke gevangenen en families van politieke gevangenen hebben in een brief gericht aan Ibrahim Raïssi, president en voorzitter van de Hogere Raad voor Nationale Veiligheid en hoofd van de rechterlijke macht, opgeroepen tot intrekking van een “geheim” besluit van de Hogere Raad voor Nationale Veiligheid met betrekking tot politieke gevangenen.
De ondertekenaars van deze brief stellen dat bij herhaalde contacten van families en advocaten van deze politieke gevangenen met de rechterlijke macht over de status van “veiligheidsveroordeelden”, justitiële autoriteiten en officieren van justitie het gebruik van alle wettelijke faciliteiten, elektronische boeien en enkelbanden, het recht op vervroegde vrijlating en verlofverlening aan politieke gevangenen afhankelijk stellen van goedkeuring door gerechtelijke toezichthouders van zaken, zoals het Ministerie van Inlichtingen en de Inlichtingendienst van de Sepah. Dit is “in tegenspraak met het beginsel van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en heeft in veel gevallen geleid tot schending van de rechten van politieke gevangenen binnen en buiten gevangenis en het uitoefenen van psychologische druk op hun families.”
De schrijvers van deze brief verwijzen onder meer naar de correspondentie van Amin-Vaziri, de officier van justitie belast met toezicht op politieke gevangenen. Deze gerechtelijke autoriteit schreef in een correspondentie van 28 Mehr 1400 over het verlenen van medische verlof aan een politieke gevangene: “Volgens de beschikking 1331/100/d/85/m van 18 Mehr 1385 van de Hogere Raad voor Nationale Veiligheid en ook de circulaires van het Openbaar Ministerie van het land, is het noodzakelijk om deskundig advies van de toezichthouder van de zaak (Ministerie van Inlichtingen of Inlichtingendienst van de Sepah) in te winnen voor het verlenen van medisch verlof aan veiligheidsveroordeelden (politieke gevangenen).”
De ondertekenaars van deze brief stellen zich voor als advocaten, huidige en voormalige politieke gevangenen en families van politieke gevangenen. Zij zeggen: “Net als elke rechtvaardige burger beschouwen wij de bepalingen van de beschikking van 18 Mehr 1385 van de Hogere Raad voor Nationale Veiligheid en de circulaire van het Openbaar Ministerie van het land, die als instrument van veiligheidsinstellingen voor controle over het lot van politieke gevangenen hebben gediend, in duidelijke strijd met het vitale en uiterst belangrijke beginsel van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en beschouwen dit als onwettig.”
De schrijvers van deze brief benadrukken: “De schending van artikel 176 van de grondwet, dat de taken van de Hogere Raad voor Nationale Veiligheid definieert als het bepalen van defensie- en veiligheidsbeleid van het land en bijgevolg geen wetgevingsautoriteit aan die raad geeft voor de meest gedetailleerde gerechtelijke aangelegenheden (zaken met betrekking tot openbare aanklagers), is een van de redenen waarom de genoemde beschikking onwettig is.”
Aan het einde van deze brief wordt het hoofd van de Hogere Raad voor Nationale Veiligheid en het hoofd van de rechterlijke macht gevraagd om “door intrekking van de genoemde beschikking in de Hogere Raad voor Nationale Veiligheid en ook intrekking van soortgelijke geheime circulaires die door het Openbaar Ministerie van het land of enig ander orgaan of instelling zijn uitgegeven, en bekendmaking hiervan aan alle onderdelen van de rechterlijke macht en veiligheidsorganen, na jaren het beginsel van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de gerechtelijke organisatie in de praktijk uit te voeren voor het bereiken van rechtvaardigheid en respect voor mensenrechten en gelijke behandeling van alle politieke en niet-politieke gevangenen.”
De rechterlijke macht is een van de drie machten van de Islamitische Republiek Iran en wordt in de grondwet van het land aangeduid als een “onafhankelijk” instituut dat de taak heeft om “verdediger van individuele en sociale rechten en verantwoordelijk voor het realiseren van rechtvaardigheid” te zijn.
Dit terwijl op grond van de grondwetswijziging van 1989 het hoofd van deze macht door de Opperbevelhebber van de Islamitische Republiek wordt benoemd en in de praktijk deel uitmaakt van de onder toezicht van de Opperbevelhebber staande organisatie.
De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties veroordeelde vorige maand in een resolutie ernstige en systematische schendingen van mensenrechten in Iran.
Deze resolutie verwees naar een zeer zorgwekkend aantal doodsvonnissen, brede en systematische arrestaties en willekeurige detentie, opzettelijke onthouding van gevangenen van toegang tot medische zorg en diensten, mishandeling van gevangenen in gevangenis Evin, intimidatie en terreur tegen tegenstanders en mensenrechtenactivisten, het gebruik van marteling voor het verkrijgen van bekentenissen en verdachte sterfgevallen van gevangenen.
Bron: Radio Farda




