Terechtstellingen van twee Koerdische gevangenen wegens ‘opstand’ in Kermanshah en onduidelijkheid over juridische procedure

Dinsdagochtend 14 juli werden twee Koerdische gevangenen uit Sarpol-Zahab, Mohi-aldin Abdollahi en Hossein Palani Jaf, ter dood gebracht in de centrale gevangenis van Kermanshah. Terwijl de gerechtelijke macht beiden aanmerkt als leden van IS en veroordeeld wegens ‘opstand’, hebben mensenrechtenorganisaties hun bezorgdheid geuit over onduidelijkheid in de juridische procedure, ontbering van fundamentele rechten en gebrek aan transparantie over de zaak.
Het terechtstellingsbevel voor Mohi-aldin Abdollahi en Hossein Palani Jaf, twee Koerdische burgers uit het district Sarpol-Zahab in de provincie Kermanshah, werd dinsdagochtend 14 juli (23 Tir) uitgevoerd. Mensenrechtenorganisaties hebben verklaard dat beide gevangenen in de centrale gevangenis van Kermanshah (Dieselabad) ter dood werden gebracht, hoewel het persbureau Mizan, het officiële mediaorgaan van de gerechtelijke macht, in zijn mededeling de plaats van uitvoering niet vermeldde.
Volgens een verklaring van de gerechtelijke macht werden Abdollahi en Palani geïdentificeerd als leden van ‘een van de cellen die aan de IS-groep waren verbonden’ en waren zij na de ineenstorting van deze groep in Irak en Syrië actief met het doel aanvallen uit te voeren in grensgebieden van Iran. De gerechtelijke autoriteiten van de Islamitische Republiek hebben verklaard dat deze twee personen zijn vervolgd wegens ‘gewapende opstand tegen het Islamitische Republikeinse regime’ en na bevestiging van het vonnis in het Hooggerechtshof ter dood werden gebracht.
Daarentegen hebben de mensenrechtenorganisatie Hengaw en het Koerdische Mensenrechtennetwerk benadrukt dat onafhankelijke informatie over het verloop van deze zaak niet beschikbaar is en details van het proces nooit transparant zijn gepubliceerd. Deze organisaties stellen dat beide personen sinds 2017 na arrestatie door de inlichtingendiensten van de Revolutionaire Garde gedurende jaren in verschillende gevangenissen, waaronder Rajaei Shahr en Qarchak, waren opgesloten.
Het Koerdische Mensenrechtennetwerk heeft ook gerapporteerd dat beide gevangenen zonder enig afscheidsbezoek van familieleden werden terechtgesteld. Deze organisatie heeft op basis van verklaringen van een voormalige medegevangene beweerd dat Abdollahi en Palani na hun arrestatie maandenlang in eenzame opsluiting waren ondergebracht en in de vroege verhooringsfasen geen toegang hadden tot een advocaat en familiecontacten. Deze beweringen zijn tot dusver noch bevestigd noch ontkend door de autoriteiten van de Islamitische Republiek.
De zaak van beide gevangenen gaat terug op een confrontatie in februari 2018 in de hoogtevlakten van Bamo in het gebied van Selaselah-Babajani, een incident waarbij volgens de officiële versie de Revolutionaire Garde zich met een aan IS gelieerde groep had geconfronteerd. De autoriteiten van de Islamitische Republiek hebben verklaard dat bij deze operatie drie leden van de Garde werden gedood en dat een aantal personen op de locatie werden gearresteerd.
De terechtstelling van Mohi-aldin Abdollahi en Hossein Palani Jaf vond plaats in omstandigheden waarin mensenrechtenorganisaties in recente maanden herhaaldelijk hebben gewaarschuwd voor de toename van terechtstellingen in Iran, met name in zaken met veiligheids- en politieke achtergronden, en hebben opgeroepen tot meer transparantie in de juridische procedure en naleving van normen voor rechtvaardige procesvoering.




