VN-rapporteurs: confiscatie historische Petrus-kerk in Teheran schending van mensenrechten

Speciale rapporteurs van de Verenigde Naties hebben de confiscatie van het historische complex van de evangelische Petrus-kerk in Teheran en de gedwongen uitzetting van de bewoners veroordeeld, en betiteld dit optreden als in strijd met internationaal mensenrecht. Zij waarschuwden dat voortzetting van dit proces Irans christelijke minderheden blootstelt aan het risico van dakloosheid en bredere beperkingen van religievrijheid en gewetensrecht.
Speciale rapporteurs van de Verenigde Naties belast met religieuze vrijheid en geweten en de mensenrechtensituatie in Iran hebben ernstige bezorgdheid geuit over de confiscatie van het complex van de evangelische Petrus-kerk aan de Sittir-straat in Teheran en de gedwongen ontruiming van de bewoners, en hebben gepleit voor een halt aan dit proces.
Nazila Ghanea, de speciale rapporteur voor religievrijheid en geweten, en Mai Sato, de speciale rapporteur voor de mensenrechtensituatie in Iran, verklaarden in hun gezamenlijke verklaring dat de gedwongen uitzetting van gezinnen die in dit complex wonen, niet in overeenstemming is met internationale mensenrechtenstandaarden en leden van erkende Armeense en Assyrische minderheden blootstelt aan het risico van dakloosheid. Zij stelden: “Gedwongen uitzettingen zijn in tegenspraak met internationaal mensenrecht en stellen leden van erkende religieuze en etnische minderheden bloot aan het risico dakloos te worden.”
Volgens deze verklaring was het complex van de Petrus-kerk niet alleen een religieus gebouw, maar heeft het decennialang gediend als woning, school, plaats van aanbidding en centrum voor sociale activiteiten van de Iraanse protestantse christelijke gemeenschap. Het complex herbergde ook het kantoor van de Raad van Evangelische Kerken in Iran en de Bijbelmaatschappij.
Deskundigen van de Verenigde Naties hebben deze zaak niet los van andere beperkingen tegen Iraanse christenen gezien, maar beschreven deze als onderdeel van een proces dat in de afgelopen jaren heeft geleid tot beperking van protestantse kerkactiviteiten, met name van Farsi-sprekende kerken. Naar hun zeggen waren er vroeger ongeveer vijftig protestantse kerken in Iran die erediensten in het Farsi uitvoerden, maar nu mag geen enkele protestantse kerk formele rituelen in het Farsi houden en veel van de resterende kerken opereren alleen in het Armeens of Assyrisch.
De verklaring verwijst ook naar de sluiting van drie anglicaanse kerken in Teheran, Isfaban en Shiraz, die sinds het begin van de COVID-19-pandemie niet hebben mogen hervatten. Volgens de rapporteurs getuigt dit van voortdurende beperkingen op de christelijke eredienstvrijheid in Iran.
De zaak van de Petrus-kerk is geworteld in een uitspraak van het Revolutionaire Tribunaal uit 1998, op basis waarvan het eigendom van dit historische complex werd overgedragen aan het “Kantoor voor de Uitvoering van het Decreet van de Imam”. Hoewel de Raad van Evangelische Kerken in Iran jaren later van het bestaan van deze uitspraak werd op de hoogte gesteld, kon hij volgens mensenrechtenorganisaties geen effectieve juridische maatregelen nemen om het eigendom terug te krijgen.
In de afgelopen weken is de bezorgdheid over de toekomst van dit historische complex toegenomen. Rapporten zijn gepubliceerd die waarschuwen voor de mogelijkheid dat gebouwen in dit complex na volledige ontruiming zullen worden afgebroken; een kwestie die, naast zorgen over religievrijheid, ook vragen oproept over het behoud van het protestantse historische erfgoed in Iran.




