Hoofd van ‘Doodstribunaals’ verdedigt executies van 1988: “Er waren nieuwe complotten gaande”

Hosseinali Niri, de religieuze magistraat van de Islamitische Republiek op het moment van de executies in de zomer van 1988, die volgens getuigen in het proces tegen Hamid Nouri, het voorzitterschap van de zogenaamde ‘Commissie van de Dood’ beheerde, verdedigt deze executies opnieuw en beschuldigt de geëxecuteerden ervan dat zij “nieuwe complotten” voorbereidden.
Deze verklaringen zijn gepubliceerd terwijl de Zweedse rechtbank drie dagen later het definitieve vonnis in de zaak van Hamid Nouri, die ervan wordt beschuldigd deelgenomen te hebben aan de executie van politieke gevangenen in de zomer van 1988, zal uitspreken.
De Islamitische Republiek heeft het proces tegen Nouri sterk veroordeeld en zijn vrijlating geëist.
Niri zei in een interview met het webportaal van het Centrum voor Islamische Revolutiedocumentatie, in antwoord op de vraag waarom politieke gevangenen in 1988 opnieuw werden berecht en veel van hen ter dood werden gebracht: “Deze mensen werden niet opnieuw berecht vanwege hun vorige zaak. Ze veroorzaakten opnieuw problemen in de gevangenis.”
Hij beschuldigde de geëxecuteerden ervan “organisatorische relaties” en “nieuwe organisaties” in de gevangenis op te zetten en ook “informatie van buiten de gevangenis” te vergaren, en vervolgde: “De gevangenis stond onder hun controle, daarom waren er nieuwe complotten gaande. Het was niet alleen dat zij hun gevangenisstraf wilden uitzitten.”
Niri beschuldigde de geëxecuteerden ook van “kinderachtige koppigheid” en pogingen om “economische schade aan het systeem” toe te brengen door telefoondraad door te knippen en lampen stuk te maken.
In de zomer van 1988 executeerden vier functionarissen op bevel van Ayatollah Khomeini, de toenmalige leider van de Islamitische Republiek, duizenden politieke en ideologische gevangenen die hun straf uitzaten opnieuw en beschuldigden hen van politieke misdaden.
De lichamen van de geëxecuteerden, grotendeels leden van de gevangengenomen Moedjahedin-e Khalq-organisatie en linkse gevangenen, werden heimelijk in massagraven begraven.
Meer dan drie decennia later richten autoriteiten van de Islamitische Republiek zich nog steeds op de vernietiging van de Khavaran-begraafplaats, de meest bekende begraafplaats van deze geëxecuteerden.
Hosseinali Niri, Morteza Eshraqi, Ebrahim Raisi en Mostafa Pourmohammadi waren de vier gerechtelijke functionarissen en belangrijkste gezichten van deze ‘Commissie van de Dood’.
In dezelfde jaar 1988 noemde Hosseinali Montazeri, toenmalig adjunct-leider van de Islamitische Republiek, hun acties in een ontmoeting met hen “de grootste misdaad in de geschiedenis van de Islamitische Republiek” en noemde deze personen “criminelen”.
Eshraqi werkt nu als advocaat, Raisi is president van de Islamitische Republiek, Pourmohammadi is directeur van het Centrum voor Islamische Revolutiedocumentatie en Niri is voorzitter van de rechterlijke tuchtrechtbank.
Nadruk op Khomeini’s rol en het gevaar voor het systeem zelf
Hosseinali Niri benadrukte ook in het interview met het Centrum voor Islamische Revolutiedocumentatie Khomeini’s rol bij de executies in de jaren 1980 en met name in 1988.
Hij beschreef de omstandigheden van de jaren 1980 als “bijzondere omstandigheden” en de situatie van het land als “crisisernstig” en zei: “Als de Imam niet zo vastberaden was geweest, hadden we deze veiligheid misschien helemaal niet gehad. De situatie zou misschien heel anders zijn geweest. Het systeem zou misschien helemaal niet hebben voortbestaan.”
Deze hoog geplaatste gerechtelijke functionaris van de Islamitische Republiek verdedigde de vonnissen die hij en zijn medeplichtige in de jaren 1980 hadden uitgesproken, en voegde eraan toe: “Je moet een beslissend vonnis vellen. Degene die het gerechtshof bestuurt en waarop zaken berusten, moet het probleem oplossen. Onder deze omstandigheden kan je een land niet besturen met ‘ik offer mezelf op’.”
Niri verwees naar de werkwijze van Mohammad Mohammadi Gilani, de eerste religieuze magistraat van de Islamitische Republiek, en verdedigde in het algemeen rechters van de Islamitische Republiek die ter dood veroordelingsbesluiten hebben uitgesproken op basis van “juiste procedures”.
Hij, zelf ook rechter, zei: “Als iemand goed oplet en het gerechtshof correct bestuurt, heeft hij geen spijt. Stel dat iemand ter dood moet worden veroordeeld omdat dat zijn lot is, een moordenaar moet worden geëxecuteerd, wie onrecht doet moet worden gestraft.”
Niri verwees naar een aanbeveling van Gilani in dit verband, die zei: “Als iemand ter dood veroordeeld moet worden, laat hem dan ter dood worden gebracht.”
Hoewel de website van het Centrum voor Islamische Revolutiedocumentatie deze verklaringen van Niri beschrijft als zijn “eerste uitspraken” over de executies van 1988, is dit niet de eerste keer dat deze gerechtelijke functionaris van de Islamitische Republiek zich hierover openlijk heeft uitgesproken.
In september 2014 zei hij in een interview met het nieuwsagentschap “Verdediging van het Heilige”: “Ik was op de hoogte van de dossiers van de Volksmoedjaheddien en de linksen, en ik kan zeggen dat de Volksmoedjaheddien veel erger waren dan de linksen.”
Hosseinali Niri werd onder het voorzitterschap van Mohammad Yazdi in de gerechtelijke macht benoemd tot adjunct van het Hooggerechtshof en bekleedde dit ambt van 1989 tot september 2013, meer dan twee decennia. Sinds september 2013 is hij voorzitter van de Hoge Rechterlijke Tuchtrechtbank.
In de zomer van 2016, na de publicatie van een controversiële audiofragment van Hosseinali Montazeri over de executies van 1988, werd de aandacht van het publiek opnieuw gericht op deze executies, en Ali Motahari, toen adjunct-voorzitter van het Iraanse Parlement, vroeg leden van de Doodstribunaals, waaronder Niri, om hierover uitleg te geven.
Ebrahim Raisi, wiens rol in deze executies met name ter sprake kwam in twee eerdere presidentiële verkiezingscampagnes in Iran, heeft deze executies ook verdedigd.
Na zijn verkiezing in de presidentiële verkiezingen verdedigde Raisi in zijn eerste persconferentie als aankomend president met “trots” zijn rol in de Doodstribunaals en zei: “Als een procureur de rechten van het volk en de veiligheid van de samenleving verdedigt, moet hij worden gewaardeerd en aangemoedigd.”
De Islamitische Republiek heeft tot dusver geweigerd een nauwkeurig rapport over de executies van 1988 in te dienen en heeft mensenrechtenactivisten ook niet toegestaan onafhankelijk onderzoek in deze zaak uit te voeren.
Dit terwijl Ali Khamenei, de leider van de Islamitische Republiek, zich stellig heeft uitgesproken ter verdediging van de werkwijze van het gerechtsstelsel van de Islamitische Republiek.
Khamenei zei in een toespraak tot zijn aanhangers: “Als jullie de waarheid niet vertellen, zal de vijand door leugens en verdraaing de plaatsen van de onderdrukker en de onderdruktem omwisselen.”
Bron: Radio Farda




