Iran: Zet politieke gevangene Maryam Akbari Monfared vrij

Sinds 2009 onrechtvaardig gevangen, zij had in 2017 moeten worden vrijgelaten
19 mei 2019: De Iran Human Rights Campaign en Justice for Iran hebben in een gezamenlijke verklaring aangekondigd dat Iran een einde moet maken aan de wrede en onwettige gevangenhouding van Maryam Akbari Monfared, die bijna tien jaar gevangen zit op basis van ongegronde beschuldigingen en die in 2017 uit de gevangenis had moeten worden vrijgelaten, en dat zij onmiddellijk moet worden vrijgelaten.
Deze twee mensenrechtenorganisaties stelden in deze verklaring dat niet alleen de beschuldigingen tegen Maryam Akbari Monfared nooit zijn bewezen, maar dat volgens de nieuwe wetgeving in Iran haar veroordeling zou moeten zijn beëindigd. Zelfs als Maryam opnieuw zou zijn veroordeeld op basis van nieuwe beschuldigingen, zou zij twee jaar geleden in aanmerking hebben kunnen komen voor vrijlating. Maar het Iraanse gerechtelijk apparaat weigert de wet in deze zaak toe te passen.
Hadi Ghaemi, uitvoerend directeur van de Iran Human Rights Campaign, zei: “Gedurende bijna tien jaar heeft Maryam Akbari Monfared in de gevangenis geleden onder een vonnis dat zelfs de Iraanse wetten zeggen dat zou moeten worden herroepen. De persoonlijke voorkeuren van een rechter mogen niet boven de wet gaan.”
Shadi Sadr, uitvoerend directeur van Justice for Iran, zei: “Zoals de rechter zelf heeft bevestigd, is de zware prijs die Maryam betaalt niet vanwege haar daden, maar alleen vanwege het feit dat haar familieleden leden waren van organisaties die tegen de Islamitische Republiek waren. Dit is een duidelijk geval van collectieve straf en een grove schending van het beginsel van persoonlijke strafrechtelijke aansprakelijkheid, erkend in zowel het Iraanse gerechtelijk systeem als internationaal recht.”
Beschuldigingen die nooit zijn bewezen
Maryam Akbari Monfared werd oorspronkelijk in juni 2010 berecht op basis van beschuldigingen van steun aan de Organisatie van Volksmoejahedin van Iran (PMOI), waarvan de activiteiten in Iran verboden zijn, en werd veroordeeld voor het misdrijf “moharebeh” (oorlog tegen God); een misdrijf dat onder islamitische delicten valt en volgens de islamitische sharia ernstige en bepaalde straffen met zich meebrengt.
Maryam werd alleen veroordeeld voor moharebeh omdat zij telefoongesprekken met haar familieleden voerde die leden van de PMOI waren en hen eenmaal in Irak bezocht. Zij heeft altijd ontkend lid te zijn van de PMOI of deze organisatie te volgen; en er is geen bewijs dat het tegendeel aantoont.
In juni 2010 werd zij door Mohammad Moghiseh, een beruchte rechter van raad 15 van het Revolutionaire Gerechtshof van Teheran, tot 15 jaar gevangenisstraf veroordeeld. In september 2010 bevestigde het Hooggerechtshof zijn vonnis. Maryam zit sinds haar arrestatie op 29 december 2009 in de gevangenis.
Volgens de nieuwe islamitische strafwet kon haar beschuldiging worden ingetrokken
Het vonnis van Maryam Akbari Monfared werd volgens de oude islamitische strafwet geveld, die in 2013 door nieuwe wetten werd vervangen.
Onder artikel 186 van de oude wet werd ieder lid of aanhanger van een organisatie die met het doel de Islamitische Republiek omver te werpen wapens opnam, als mohareb beschouwd. Dit gold zelfs als de persoon persoonlijk niet aan enige gewapende activiteiten van die organisatie had deelgenomen.
In de nieuwe wet van 2013 werd het oude artikel 186 herzien en vervangen door verschillende artikelen, inclusief artikelen 278 en 279. Deze nieuwe bepalingen namen een aanzienlijk enger bereik aan in vergelijking met de traditionele uitleg van het misdrijf moharebeh, onder meer door moharebeh te beperken tot situaties waarin een persoon lid is van een gewapende groep of persoonlijk wapens opneemt. Het misdrijf is dus niet van toepassing op aanhangers van dergelijke organisaties en kan ook niet worden toegepast tegen personen die contact hebben met leden van dergelijke organisaties of die hun standpunten persoonlijk ondersteunen.
Om deze reden zou Maryam Akbari Monfared, als zij onder de nieuwe wet was berecht, niet zijn veroordeeld voor moharebeh. Omdat het bezoeken van familieleden in Kamp Ashraf in Irak (waar leden van haar familie leefden) geen bewijs is voor lidmaatschap van de PMOI of het volgen van deze organisatie.
Bovendien, volgens artikel 10 van de nieuwe wet, wanneer dergelijke wetswijzigingen van kracht worden en de nieuwe wet in het voordeel van de verdachte is, moet deze met terugwerkende kracht worden toegepast op iedereen die onder de oude wet is veroordeeld. Dit betekent dat Akbari Monfared zou moeten zijn vrijgesproken en onmiddellijk uit de gevangenis zou moeten zijn vrijgelaten.
Eind 2015 diende Maryam Akbari Monfared een herziening in bij het Hooggerechtshof, stellende dat haar veroordeling volgens artikelen 10 en 279 van de nieuwe wet zou moeten worden ingetrokken. In maart 2016 wees het Hooggerechtshof haar verzoek voor herziening af, maar verwees expliciet naar artikel 10 van de nieuwe wet en stelde dat Maryam Akbari Monfared volgens de nieuwe wet die van kracht is geworden en in haar voordeel is, kan proberen via het eerste gerechtshof haar veroordeling te verminderen of op te heffen. Na dit uitspraak werd de zaak van Akbari Monfared terugverwezen naar raad 15 van het Revolutionaire Gerechtshof van Teheran.
Volkomen negerend van het besluit van het hooggerechtshof en de wettelijke verplichting onder artikel 10 van de nieuwe wet, weigerde rechter Solwati enige wijziging aan de oorspronkelijke veroordeling van Maryam aan te brengen en handhaafde zijn oorspronkelijke vonnis zonder enige uitleg of rechtvaardiging. Als het gerechtshof de wet en het besluit van het hooggerechtshof had gevolgd, zou de veroordeling van Akbari Monfared voor moharebeh niet hebben stand mogen houden en zou het zijn omgezet in vrijspraak of een mildere veroordeling voor een lichter misdrijf.
In aanmerking komend voor vrijlating in 2017 volgens Iraanse wetten
Zelfs in het geval dat het verzoek om herziening in Maryams zaak zou hebben geleid tot veroordeling en het gerechtshof haar niet zou hebben vrijgesproken, zou haar veroordeling op grond van een lichter misdrijf kunnen zijn geweest in de categorie ta’zir-misdrijven (discretionaire delicten). Onder wetten met betrekking tot deze misdrijven zou zij een mildere en kortere straf moeten ondergaan; bijvoorbeeld volgens artikel 499, maximaal 5 jaar gevangenisstraf.
Maryam zou onder geen enkel omstandigheid een zware straf hebben mogen krijgen, zoals die voor moharebeh. In het ergste geval, als zij tot dezelfde 15 jaar gevangenisstraf zou zijn veroordeeld op grond van wetten met betrekking tot ta’zir-misdrijven, zou zij nu in aanmerking kunnen komen voor voorwaardelijke vrijlating. Volgens artikel 58 van de nieuwe wet, wanneer iemand wordt veroordeeld tot meer dan 10 jaar gevangenisstraf vanwege het plegen van ta’zir-misdrijven, komt deze in aanmerking voor voorwaardelijke vrijlating na het uitzitten van de helft van de straf.
Volgens Iraanse wetten tellen de tijd van Maryam’s voorarrest vóór berechting en de tijd die zij voor de veroordeling in de gevangenis heeft doorgebracht mee voor haar totale gevangenschap. Daarom, in het geval van Maryam Akbari Monfared, zelfs als we de zeer onwaarschijnlijke mogelijkheid in aanmerking nemen dat haar 15-jarige straf opnieuw als ta’zir-straf zou zijn uitgesproken, zou zij na het uitzitten van 7,5 jaar van haar straf, dus in juli 2017, uit de gevangenis moeten zijn vrijgelaten.
Ontzegging van medische zorg en verlof gedurende de hele gevangenisperiode
Maryam Akbari Monfared heeft tijdens haar gehele gevangenschap ruw en punitief behandeling ondergaan. De autoriteiten hebben haar geen medisch verlof gegeven ondanks ernstige schildklierproblemen en andere medische aandoeningen die behandeling vereisen. Zij is niet eenmaal één dag medisch verlof van de gevangenis gegeven. (Gevangenen in Iran kunnen tijdelijk verlof nemen om hun familie te bezoeken).
Volgens wat Hassan Jafari, de echtgenoot van Akbari Monfared, zegt, hebben de autoriteiten herhaalde verzoeken om medisch verlof van Maryam genegeerd, zelfs met aanbod van borgtocht. In oktober 2017, in een interview met de Iran Human Rights Campaign, zei Hassan Jafari: “In 2013 zorgden wij voor 1,15 miljard Iraanse rial als borgtocht die de autoriteiten voor haar verlof hadden aangevraagd. Maar tot nu toe is niets gebeurd. Ze geven haar geen verlof en zeggen niet waarom. Ze zeggen alleen dat het Ministerie van Inlichtingen of de officier van justitie tegen haar verlof is.”
Punitieve behandeling is een prijs die politieke gevangenen in Iran normaal betalen; vooral gevangenen die openlijk spreken over hun onrechtvaardig gevangenschap of de onmenselijke omstandigheden in gevangenissen.
Akbari Monfared protesteerde in een open brief tegen beide onderwerpen – de dagelijkse ontzegging van politieke gevangenen van medische zorg en de buitengerechtelijke executies van haar broer en zus.
Drie broers en één zus van Maryam werden in de jaren tachtig geëxecuteerd vanwege hun activiteiten in politieke groepen die tegen de regering waren. Akbari Monfared diende in oktober 2016 een formeel klacht in en eiste gerechtelijk onderzoek naar de executie van haar broers en zus en hun verblijfplaats.
Zij schreef: “Mijn jongste broer, Abdolreza Akbari Monfared, werd in 1980 gearresteerd toen hij nog student was en slechts 17 jaar oud. Zijn misdrijf was het verspreiden van de PMOI-publicatie. Hij zat drie volle jaren in eenlingcellen in Gohardasht-Rajaei Shahr gevangenis en hoewel hij door het Revolutionaire Gerechtshof van Teheran tot drie jaar gevangenisstraf was veroordeeld, werd hij tot 1988 in de gevangenis gehouden en werd hij uiteindelijk in augustus van dat jaar, samen met veel andere gevangenen, geëxecuteerd.”
In 1988 werden duizenden gevangenen, vooral aanhangers van de PMOI en andere gevangenen, heimelijk en massaal geëxecuteerd door “doodcommissies” die door Ayatollah Khomeini, de grondlegger van de Islamitische Republiek, waren ingesteld. Tot nu toe is niemand ter verantwoording geroepen voor deze massacre en elk onderzoek naar deze zaak of rouw om de slachtoffers is verboden.
Akbari Monfared vervolgde in haar brief: “Alireza Akbari Monfared, mijn andere broer, werd op 8 september 1981 gearresteerd en op 19 september van hetzelfde jaar in de gevangenis geëxecuteerd. Het hele proces van arrestatie, berechting en executie verlief in 10 dagen. Tijdens zijn begrafenisceremonie vielen functionarissen ons huis aan en arresteerden een aantal gasten en brachten hen naar Evin-gevangenis. Onder de gearresteerden bevonden zich mijn moeder en mijn zus Raghieh Akbari Monfared. Mijn moeder werd na vijf maanden vrijgelaten uit de gevangenis. Maar mijn zus, die door het gerechtshof tot acht jaar gevangenisstraf was veroordeeld, werd in augustus 1988 geëxecuteerd terwijl zij aan het einde van haar straf was.”
Bron: Iran Human Rights Campaign




