Iraans Christelijk Nieuws

Na goedkeuring herziening; datum en rechtbank voor behandeling van aanklachten tegen 8 christelijke gelovigen bepaald

De rechtszitting voor behandeling van aanklachten tegen 8 christelijke gelovigen onder de namen Behnam Irgaliyev, Babak Hosseinzadeh, Shahrouz Eslamdoust, Mehdi Khatibee, Khalil Dehghanpour, Hossein Kadivar, Kamal Namanian en Mohammad Vafadar vindt plaats op 3 Esfand in afdeling 34 van de Revolutionaire Rechtbank van Teheran. Eerder was het verzoek om herziening van deze personen door het Hooggerechtshof aanvaard en werd hun dossier ter hernieuwd onderzoek naar dezelfde afdeling verwezen.

Volgens het Hrana-persagentschap, het persorgaan van de verzameling mensenrechtenactivisten in Iran, zijn de datum en afdeling van de rechtszitting voor behandeling van aanklachten tegen Behnam Irgaliyev, Babak Hosseinzadeh, Shahrouz Eslamdoust, Mehdi Khatibee, Khalil Dehghanpour, Hossein Kadivar, Kamal Namanian en Mohammad Vafadar bepaald.

De rechtszitting voor behandeling van aanklachten tegen deze christelijke gelovigen vindt plaats op 3 Esfand 1400 in afdeling 34 van de Revolutionaire Rechtbank van Teheran.

Een goed geïnformeerde bron merkte op dat de naam van Abdolreza (Mattias) Alireza Nejad, de negende verdachte in deze zaak, niet op deze dagvaarding staat vermeld, en stelde dat dit de familie ervan bezorgd heeft gemaakt.

Abdolreza Alireza Nejad werd op 25 Dey gearresteerd nadat hij was ontboden op het openbaar ministerie van Anzali. Naar verluidt is de arrestatie van deze burger in verband met een zaak waarvoor hij eerder was vrijgesproken en waarvan het vonnis onlangs door het Hooggerechtshof is vernietigd.

Het Hooggerechtshof verklaarde op 12 Aban 1400 in een ongekend arrest over deze 9 christelijke gelovigen dat het verspreiden van het christendom en het vormen van huiskerken geen misdrijf waren en ook geen samenzwering om de veiligheid van het land in gevaar te brengen.

Behnam Irgaliyev, Babak Hosseinzadeh, Abdolreza Alireza Nerjad, Shahrouz Eslamdoust, Mehdi Khatibee, Khalil Dehghanpour, Hossein Kadivar, Kamal Namanian en Mohammad Vafadar zijn allen leden van een huiskerk genaamd “Kerk van Iran” in de stad Rasht, die in Mehr 1398 werd beschuldigd van “acties tegen de veiligheid van het land door het vormen van huiskerken en verspreiding van evangelisch christendom en zionisme” en elk veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf.

In het arrest van de behandelingskamer in afdeling 28 van het Hooggerechtshof, voorgezeten door rechter Seyyed Ali Esfandiari Shahri, werd het herzieneringsverzoek van deze 9 christelijke gelovigen ontvankelijk verklaard en werd duidelijk gemaakt dat het louter verspreiden van huischristianiteit en bevordering van evangelisch zionisme, wat kennelijk beide gelijkstaan aan verspreiding van christendom via familiebijeenkomsten in huis, geen betekenis heeft van samenwerking om de veiligheid van het land, zowel binnenlands als buitenlands, in gevaar te brengen en niet onder de bepalingen van artikelen 498 en 499 van het Islamitisch Strafwetboek van 1375 en andere strafwettelijke bepalingen vallen, en dat verspreiding van christendom en het vormen van huiskerken ook niet door wetten als strafbaar is gesteld.

Het Hooggerechtshof aanvaardde de herziening en verwees hun dossier ter hernieuwd onderzoek naar dezelfde afdeling.

Hossein Kadivar en Khalil Dehghanpour werden op 9 Bahman 1397 gearresteerd tijdens een huiskerkbijeenkomst in Rasht, en Babak Hosseinzadeh, Behnam Irgaliyev en Mehdi Khatibee werden op 4 Esfand van datzelfde jaar gearresteerd. Het huis van Irgaliyev werd na zijn arrestatie doorzocht door ambtenaren en sommige persoonlijke bezittingen werden in beslag genomen. Volgens een goed geïnformeerde bron hebben veiligheidstroepen tijdens de huiszoeking in het huis van Irgaliyev christelijke symbolen verbroken of beschadigd.

Op 21 Bahman werd Abdolreza (Mattias) Alireza Nerjad ook in zijn privéwoning gearresteerd, en op vrijdag 26 Bahman werden nog drie andere christelijke gelovigen genaamd Mohammad Vafadar, Mohammad (Shahrouz) Eslamdoust en Kamal Namanian gearresteerd tijdens een huiskerkbijeenkomst. Het zij opgemerkt dat alle arrrestaties door ambtenaren van de Inlichtingendienst van de Revolutionaire Garde plaatsvonden.

Babak Hosseinzadeh en Behnam Irgaliyev werden na 12 dagen in een beveiligingsfaciliteit naar de gevangenis overgeplaatst en werden 11 dagen zonder naleving van de vereiste scheiding van misdrijven in de gevangenis vastgehouden. Uiteindelijk werden zij op 27 Esfand 1397 voorlopig vrijgelaten tegen een borgsom van 150 miljoen toman, tot het einde van de gerechtelijke procedures. Khalil Dehghanpour, Hossein Kadivar, Kamal Namanian en Mohammad Vafadar werden ook in Esfand van dat jaar vrijgelaten tegen borgsom.

Op 2 Mordad 1398 vond de eerste rechtszitting plaats voor behandeling van de aanklachten tegen deze burgers in afdeling 28 van de Revolutionaire Rechtbank van Teheran, voorgezeten door rechter Mohammad Moghisseh. Tijdens deze zitting werd het borgsoombedrag voor Abdolreza Alireza Nerjad, Shahrouz Eslamdoust, Behnam Irgaliyev, Babak Hosseinzadeh en Mehdi Khatibee verhoogd naar 1,5 miljard toman, en zij werden gearresteerd vanwege hun financiële onmogelijkheid om borgsom op te brengen en overgeplaatst naar blok 4 van Evin-gevangenis. De vier anderen werden vrijgelaten tegen borgsom.

Uiteindelijk werden elk van deze burgers veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf voor de aanklacht “acties tegen de veiligheid van het land door het vormen van huiskerken en verspreiding van evangelisch christendom en zionisme”. Dit vonnis werd uiteindelijk in Khordad 1399 door afdeling 36 van het Hooggerechtshof van Teheran onder voorzitterschap van rechter Seyyed Ahmad Zargari letterlijk bevestigd en aan hen betekend.

Het moet worden opgemerkt dat hoewel christenen volgens de wet als een religieuze minderheid erkend zijn, toch volgen beveiligingsinstellingen de kwestie van Moslims die zich tot het christendom bekeren met bijzondere bezorgdheid en gaan zij gewelddadig te werk tegen activisten op dit terrein.

De behandeling van christelijke gelovigen in Iran vindt plaats terwijl volgens artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten iedereen het recht heeft op vrijheid van godsdienst en van gewetensovertuiging, alsmede op vrijheid deze te openbaren, individueel of samen met anderen, in het openbaar of in het privé.

 

Bron: Hrana

Gerelateerde artikelen

Terug naar bovenkant pagina knop
Beschermd Door
Shield Security