Onthulling van mogelijke inzet van chemische wapens door Islamitische Republiek tegen demonstranten

Een schokkerend rapport over het gebruik van chemische wapens door de Islamitische Republiek tegen demonstranten in de schaduw van bloedige onderdrukking en internationale druk, onthult een nieuw hoofdstuk van misdaden van de Islamitische Republiek tegen protesteerders.
De publicatie van een recent rapport in de Verenigde Staten heeft de aandacht opnieuw gericht op de duistere dimensies van de onderdrukking van landwijde protesten in Iran; protesten die van bloedige winters tot recente landwijde opstanden gepaard zijn gegaan met uitgebreide arrestaties, direct vuur op demonstranten en verdachte sterfgevallen in detentiecentra. Nu is een nog zorgwekkender bewering naar voren gekomen: heeft de Iraanse regering de grens overschreden en verboden chemische middelen tegen zijn eigen burgers gebruikt?
Het netwerk ‘Fox News’ verwees woensdagochtend 25 februari naar een rapport dat is opgesteld door de Amerikaanse denktank Foundation for Defense of Democracies. In dit rapport wordt de internationale gemeenschap verzocht onafhankelijk te onderzoeken of verboden chemische stoffen zijn gebruikt om demonstranten te onderdrukken tijdens de landwijde protesten in Dey.
‘Andrea Stricker’, de auteur van dit rapport, wijzend op wat hij het ‘verborgen chemische-wapenprogramma’ van de Islamitische Republiek noemt, waarschuwde dat de focus van westerse beleidsmakers vooral op het nucleaire programma van Iran ligt, terwijl mogelijke chemische activiteiten minder aandacht krijgen. Hij voegde eraan toe: ‘De Verenigde Staten, hun bondgenoten en de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens moeten legitieme vorderingen onderzoeken over het gebruik van chemische wapens door het Iraanse regime tegen zijn eigen volk.’
Dit verzoek werpt de bal eigenlijk in het veld van de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens; een instituut dat verantwoordelijk is voor toezicht op de uitvoering van het Verdrag van 1997 ter voorkoming van chemische wapens.
Iran is een ondertekenaar van het Verdrag ter voorkoming van chemische wapens; een verdrag dat de ontwikkeling, productie, opslag en gebruik van deze wapens verbiedt. De Islamitische Republiek heeft zich altijd gepresenteerd als slachtoffer van chemische aanslagen door Irak in de jaren 1980 en op basis daarvan het gebruik van deze wapens veroordeeld.
In de afgelopen jaren zijn echter rapporten van mensenrechtenorganisaties gepubliceerd over het wijdverbreide gebruik van onbekende gassen of sterk irriterende stoffen tijdens protesten. Sommige getuigen spraken van sterke geuren, acute ademhalingssymptomen en massavergiftigingen; gevallen die officieel niet zijn bevestigd, maar die, als bewezen, een duidelijke schending van Irans internationale verplichtingen kunnen betekenen.
Daarnaast waren er tijdens de landwijde protesten in Iran meerdere rapporten van families en enkele lokale bronnen gepubliceerd die aantoonden dat de lichamen van een aantal slachtoffers ongewone sporen van brandwonden en ernstige huidletsels vertoonden. Volgens sommige personen verbonden aan medische teams die anoniem wilden blijven, leken dit soort verwondingen in sommige gevallen op brandwonden veroorzaakt door chemische middelen en suggereerden zij ‘mogelijke blootstelling aan onbekende stoffen’. Vanwege de veiligheidsomstandigheden in medische instellingen en druk op artsen en verpleegsters om stil te blijven, is er echter geen officiële bevestiging of onafhankelijk en openbaar rapport over dit onderwerp gepubliceerd. Deze onduidelijkheid en gebrek aan transparantie hebben de bezorgdheid over de methoden die bij de onderdrukking van demonstranten zijn gebruikt, alleen maar vergroot.
Stricker ging ook nog verder en stelde voor dat, in geval van mogelijke Amerikaanse militaire actie tegen de Iraanse regering, ook faciliteiten met betrekking tot onderzoek en productie van chemische wapens op de doellijst zouden moeten worden opgenomen; een voorstel dat aantoont hoe serieus de bezorgdheid in bepaalde veiligheidskringen in Washington is.
De publicatie van dit rapport vindt plaats op het moment dat vertegenwoordigers van Teheran en Washington in Genève zullen bijeenkomen. Abbas Araghchi, minister van Buitenlandse Zaken van de Islamitische Republiek, zei eerder: ‘Een akkoord is bereikbaar als diplomatie prioriteit krijgt.’ Daartegenover hebben Amerikaanse functionarissen benadrukt dat elke overeenkomst bredere veiligheidskwesties moet betreffen.
Critici van de Iraanse regering zeggen dat de ervaring van de afgelopen jaren aantoont dat tegelijk met diplomatieke onderhandelingen binnenlandse onderdrukking niet alleen niet is afgenomen, maar verergerd is. Van de protesten in Dey 1396 tot de opstand ‘Vrouw, Leven, Vrijheid’ in 1401, zijn meerdere rapporten over moorden, marteling en gedwongen bekentenissen gepubliceerd; rapporten die ook door onafhankelijke internationale instellingen ter sprake zijn gebracht.
Ondertussen heeft de Amerikaanse regering een nieuwe ronde sancties aangekondigd tegen netwerken met betrekking tot Iraanse olieverkoöp en raket- en droneprogramma’s. Deze maatregelen zijn door het United States Department of the Treasury uitgevoerd in het kader van het ‘maximale druk’-beleid en hebben meer dan 30 personen, bedrijven en schepen als doelwit.
Volgens Amerikaanse functionarissen worden de olieinkomsten van de Islamitische Republiek niet besteed aan verbetering van de levensstandaard van het volk, maar aan binnenlandse onderdrukking, steun aan regionale proxygroepen en ontwikkeling van geavanceerde wapens. In dit sanctiepakket zijn ook netwerken doelwit die helpen bij het voorzien van grondstoffen zoals ‘natriumperchloraat’ voor vast brandstof voor ballistische raketten.
Ook zijn vier hoge functionarissen van de Quds Aerospace Industries, verbonden aan het ministerie van Defensie van de Islamitische Republiek, gesanctioneerd vanwege hun rol in de ontwikkeling van drones die naar verluidt in het bezit van Rusland en Venezuela zijn gesteld.
Zelfs als de beweeringen over het gebruik van chemische middelen slechts gedeeltelijk waar zijn, hebben we te maken met een van de meest schokkerendste gevallen van mensenrechtsschending in de afgelopen decennia; mogelijke inzet van verboden wapens niet op het slagveld, maar tegen onbewapende burgers.
De Islamitische Republiek verwerpt deze beschuldigingen en noemt ze ‘psychologische oorlogvoering’. Maar de geschiedenis van harde onderdrukking van protesten, systematische verhulling en strikte beperkingen op onafhankelijke media in Iran hebben de twijfels alleen maar doen toenemen.
Nu diplomatieke onderhandelingen doorgaan, rijst de fundamentele vraag: zal de internationale gemeenschap zich opnieuw alleen op het nucleaire dossier concentreren, of zullen mensenrechten en vorderingen met betrekking tot chemische wapens deze keer serieus op de agenda staan?
Het lot van deze vraag is niet alleen belangrijk voor de toekomst van de relaties tussen Teheran en het Westen, maar ook voor de miljoen Iraniërs die in de afgelopen jaren de prijs van hun vreedzaam protest met hun leven en vrijheid hebben betaald.




