Schrijversverbond protesteert heftig tegen zes jaar gevangenisstraf voor drie schrijvers

Het Iraanse Schrijversverbond diende op 26 ordibehesht (16 mei) protest in tegen de zware straffen voor drie Iraanse schrijvers en leden van de organisatie: Baktash Abtin, Reza Khandan Mahabadi en Keyvan Bajan. Volgens de uitspraak van tak 26 van het Revolutionaire Gerechtshof onder leiding van rechter Mohammad Moghisseh zijn deze drie schrijvers elk tot zes jaar gevangenisstraf veroordeeld.
De rechtszaak tegen deze drie schrijvers en leden van het Schrijversverbond vond begin ordibehesht plaats en het vonnis werd aan hun advocaten medegedeeld op 25 ordibehesht. Een dag later stelde het Schrijversverbond in een verklaring dat deze vonnissen een veroordeling vormen van alle Iraanse schrijvers die vrije meningsuiting in Iran willen uitoefenen.
Onder de beschuldigingen tegen hen vallen deelname aan herdenking van Jafar Pouyandeh en Mohammad Mokhtari, twee leden van het Schrijversverbond die zijn vermoord in de zgn. kettingmoorden. Een ander punt van beschuldiging is de publicatie van het boek over vijftig jaar geschiedenis van het Schrijversverbond. Baktash Abtin stelde echter na zijn rechtszitting in een gesprek met de campagne dat hij helemaal niet aan dit boek heeft meegewerkt en niet in Teheran was, en dat zelfs alle gedrukte exemplaren zijn gestolen en nooit in handen van de leden van het Schrijversverbond zijn gekomen. Het boek na afdruk
Het Schrijversverbond schreef in zijn verklaring: «Dit is niet slechts een rechtszaak en veroordeling van drie schrijvers, niet slechts een rechtszaak van het Iraanse Schrijversverbond. Het is een veroordeling van alle schrijvers en degenen die vrije meningsuiting willen uitoefenen.»
Reza Khandan Mahabadi, Keyvan Bajan en Baktash Abtin, die herhaaldelijk in de afgelopen jaren voor ondervraging zijn opgeroepen, gearresteerd en politieke beschuldigingen hebben moeten aangaan, staan in de recente rechtszaak terecht op twee aanklachten: «propaganda tegen het systeem» en «samenzwering en samenspanning tegen de nationale veiligheid». Baktash Abtin werd op 7 ordibehesht 1398 (27 april 2019) op deze twee aanklachten in tak 28 van het Revolutionaire Gerechtshof vervolgd, en Reza Khandan Mahabadi en Keyvan Bajan werden op 8 ordibehesht in dezelfde tak vervolgd. Gedurende deze twee dagen voerden enkele leden van het Schrijversverbond protest uit tegen hun vervolgingen en druk door zich voor het gerechtsgebouw te verzamelen.
De publicatie van het vierdelige boek «Vijftig jaar Iraans Schrijversverbond», dat als een van de beschuldigingspunten tegen deze schrijvers wordt aangehaald, werd door de redactieraad van de commissie voor het vijftigjarig jubileum van het Iraanse Schrijversverbond ter gelegenheid van het vijftigjarig jubileum van deze non-gouvernementele organisatie in beperkte oplage uitgegeven, maar werd nooit onder de leden van het Schrijversverbond zelf verspreid, omdat de gedrukte exemplaren van dit boek na het verlaten van de drukkerij zijn gestolen.
Het Iraanse Schrijversverbond schreef in zijn protestverklaring: «Aan drie schrijvers is in totaal 18 jaar gevangenisstraf opgelegd omdat ze lid van het Iraanse Schrijversverbond zijn geworden; omdat ze het interne blad van een culturele organisatie hebben gepubliceerd; omdat ze documenten en stukken van vijftig jaar activiteiten van het Schrijversverbond in een boek hebben verzameld; omdat ze het graf van Ahmad Shamlu en Mohammad Mokhtari en Jafar Pouyandeh hebben bezocht; omdat ze verklaringen hebben ondertekend ter verdediging van vrije meningsuiting van schrijvers en kunstenaars en tegen ter doodveroordeling en censuur.»
Verder in deze verklaring staat: «Wat voor ‘nationale veiligheid’ is dit dat de publicatie van een blad en protestverklaring als een bedreiging daarvoor wordt beschouwd? Wiens veiligheid wordt in gevaar gebracht door lid te worden van het Schrijversverbond en graven van dichters en schrijvers te bezoeken? Elke rechtbank die ook maar enigszins met rechtvaardigheid en onafhankelijkheid verbonden is en waarin enig respect voor mensenrechten bestaat, zou dit soort ‘bewijsstukken’ niet als schuldbewijs zien, maar als voorwendsel voor dossierkonstruktie. In werkelijkheid is wat in het dossier en de rechtszaak van de drie leden van het Schrijversverbond ten grondslag ligt aan de beschuldiging en uitspraak niets anders dan het nastreven van vrije meningsuiting en verzet tegen censuur.»
Het Iraanse Schrijversverbond noemde de beschuldigingen tegen zijn leden in zijn verklaring dossierkonstruktie en eiste «onvoorwaardelijke opheffing van deze vonnissen en afsluiting van de dossiers» van zijn leden.
En tot slot riep het op tot einde aan «onderdrukking» en vonnissen tegen schrijvers. In deze verklaring staat dat deze onderdrukking en vonnissen: «in de afgelopen decennia voortdurend hebben plaatsgevonden om schrik en angst te zaaien en vrije meningsuiting te onderdrukken.»
Het Iraanse Schrijversverbond is een non-gouvernementele organisatie bestaande uit schrijvers, vertalers, redacteuren en deel van het Internationaal Penclub, en kondigde officieel in 1347 (1968) zijn bestaan aan met als doel beroepsorganisatie van schrijvers en strijd tegen censuur. Het Schrijversverbond en zijn leden hebben vanaf de oprichting en in het bijzonder gedurende de jaren 60 en 70 verschillende graden van onderdrukking, van censuur en gerechtelijke vervolging tot moord, ondergaan. Mohammad Jafar Pouyandeh en Mohammad Mokhtari waren onder andere leden van het Schrijversverbond die in de kettingmoorden zijn vermoord.
Bron: Iraanse Campagne voor Mensenrechten




