Tenuitvoerlegging van gevangenisstraf van één jaar voor Mitra Badrnežhad: Rechter zei “Het feit dat je Bahai bent betekent voor mij dat je een crimineel bent”

De zoon van Mitra Badrnežhad (Zahedi), een Bahai-burger uit Ahwaz, heeft tegen Human Rights Campaign Iran gezegd dat zijn moeder na ontvangst van een dagvaarding vanaf 31 Shahrivar naar gevangenis Sepidare Ahwaz is overgebracht om een jaar gevangenisstraf uit te zitten. Mevrouw Badrnežhad is één van de Bahai’s die is gearresteerd onder beschuldiging van “lidmaatschap van de Bahai-organisatie en propaganda tegen het regime” en tot gevangenisstraf is veroordeeld. Volgens Rouzbeh Zahedi, haar zoon, zei rechter Zarei, rechter van de tweede afdeling van het Revolutionairtribunaal van Ahwaz, tegen zijn moeder: “Het feit dat je Bahai bent betekent voor mij dat je een crimineel bent.”
Rouzbeh Zahedi, die nu in een van de steden in Turkije op de voltooiing van zijn asielaanvraag wacht, vertelde de campagne over de wijze waarop zijn moeder werd gearresteerd: “Het was ’s middags op 12 Esfand 1396 toen agenten ons huis binnenstormden. Op dat moment was niemand thuis en volgens mijn moeder gingen 17 of 18 mannelijke agenten en één vrouw van het bureau Inlichtingen van Ahwaz het appartement binnen. Mijn moeder dacht dat mijn tante, die in de etage onder ons woont, achter de deur stond, maar toen ze de deur opende, zag ze agenten achter de deur en in de gangen, en sommigen stonden ook buiten het appartement. Ze doorzochten het huis twee, drie uur en namen alle persoonlijke eigendommen van het gezin in beslag. Kort nadat ze waren binnengekomen, ging mijn broer, die fotograaf is, naar huis en nam ook zijn camera mee.”
Volgens meneer Zahedi namen de agenten zelfs “gouden sieraden waarop religieuze symbolen of inscripties waren aangebracht, samen met enkele mobiele telefoons, twee computers en een laptop en Bahai-religieuze boeken mee. De zoon van mevrouw Badrnežhad zegt echter dat ruim anderhalf jaar na het in beslag nemen van eigendommen en zelfs nadat zijn moeder naar de gevangenis is overgebracht om zijn strafstijd uit te zitten, hun persoonlijke bezittingen nog steeds niet zijn teruggegeven: “Mijn familie heeft meermaals gezocht, maar nog steeds zijn geen mobiele telefoons, computers, laptops, mijn broers fotocamera en de gouden sieraden teruggegeven. Het vreemde is dat zelfs op een formulier dat ons is gegeven met inbeslaggenomen items, het aantal zaken niet is opgesomd.”
De zoon van mevrouw Badrnežhad zei verder: “Mijn moeder bracht 50 dagen in isolatiedetentie door op het bureau Inlichtingen en in gevangenis Sepidare en werd uiteindelijk onder voorwaardelijke vrijlating vrijgelaten. In feite hebben we de eigendomsdocumenten van ons huis als borg voor mijn moeder ingediend.” Mevrouw Badrnežhad werd op 12 Esfand 1396 gearresteerd en op 24 Ordibehesht 1397 onder voorwaardelijke vrijlating vrijgelaten in afwachting van de uitspraak.
Mitra Badrnežhad, een Bahai-burger uit Ahwaz, werd op 7 Mehr 1397 in de tweede afdeling van het Revolutionairtribunaal van Ahwaz onder voorzitterschap van rechter Zarei beschuldigd van “lidmaatschap van de Bahai-organisatie” en “propaganda tegen het regime” in één rechtszitting veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf en twee jaar verwijdering uit de provincie Khuzestan. Deze uitspraak werd echter in hoger beroep verminderd tot één jaar gevangenisstraf en de twee jaar verwijdering werd ook uit het vonnis verwijderd. Volgens haar zoon is het beroepsuitspraak eind Tir aan hen bekend gemaakt. Ongeveer twee maanden later werd mevrouw Badrnežhad een dagvaarding gestuurd met de mededeling dat ze zich aan de afdeling Tenuitvoerlegging van Vonnissen in Ahwaz moest melden. Op 31 Shahrivar ging ze naar de afdeling Tenuitvoerlegging van Vonnissen waar haar werd medegedeeld dat ze naar gevangenis Sepidare Ahwaz moest worden overgebracht voor tenuitvoerlegging van het vonnis.
Volgens de zoon van Mitra Badrnežhad zei rechter Zarei van de tweede afdeling van het Revolutionairtribunaal van Ahwaz tijdens de zitting ter verklaring van de redenen voor de beschuldigingen tegen zijn moeder: “Het feit dat je Bahai bent, betekent op zich dat het een misdaad is en voor mij ben je een crimineel.” Over de rechtszitting zei hij: “De advocaat van mijn moeder verdedigde haar tijdens de zitting met het argument dat zij niets illegaals had gedaan en dat er geen bewijzen in haar dossier waren dat zij schuldig was. Maar rechter Zarei antwoordde met: voor mij betekent het feit dat je Bahai bent dat je een crimineel bent. Deze rechter zei dat in de vroege jaren van de Revolutie rechters goede vonnissen over jullie velden, ik wil de vonnissen naar die periode terugbrengen. De rechter bedoelde dat in de vroege jaren van de Revolutie massaal doodvonnissen voor Bahai’s werden uitgesproken.”
Rouzbeh Zahedi antwoordde op de vraag wat het bewijs van beschuldiging tegen zijn moeder was: “Helaas hebben we geen kopie van het vonnis en het werd zelfs niet aan zijn advocaat gegeven. De advocaat kreeg alleen toestemming het vonnis te lezen. Voor zover ik weet, het houden van Bahai-dinerbijeenkomsten in ons huis en het hebben van religieuze boeken in huis werden als bewijzen van beschuldiging genoemd. Bahai’s houden elke 19 dagen een dinerbijeenkomst, een religieus gebruik, en mijn moeder hield deze bijeenkomsten in haar huis en nodigde andere Bahai’s in de stad uit.”
Hij vervolgde: “Rechter Zarei baseerde zijn bewijs dat mijn moeder schuldig was tijdens de rechtszitting op het feit dat ze Bahai is en dat ze door het bureau Inlichtingen is gearresteerd en daarom schuldig is. Hij zei ook dat zij een eisers heeft, maar de eisers werd nooit geïdentificeerd en aangewezen.”
De zoon van mevrouw Badrnežhad sprak ook over de verhoren van zijn moeder: “Mijn moeder zei dat ze gedurende alle verhoren op een stoel gezeten was met haar gezicht naar de muur en met gebonden ogen, en haar ondervrager zat met zijn rug naar haar toe. Mijn moeder zei dat ze tijdens de verhoren erg grof werd beledigd en dat haar eenmaal werd gezegd dat ze de accounts van haar zonen konden bereiken, waardoor mijn moeder bang werd. Maar gelukkig was er geen lichamelijke marteling, alleen psychologische druk.”
Bron: Human Rights Campaign Iran




