Hedyeh Mirahmadi: Het toekomstige Iran moet een land zijn waar christenen zonder angst kunnen aanbidden

Hedyeh Mirahmadi, schrijver en voormalig deskundige op het gebied van Amerikaanse nationale veiligheid, heeft na een ontmoeting met prins Reza Pahlavi en een groep religieuze leiders in een artikel in ‘The Christian Post’ gesproken over de noodzaak om een Iran op te bouwen waarin godsdienstvrijheid, burgerrechten en gewissensvrijen voor iedereen gegarandeerd zijn. Met verwijzing naar de druk en vervolgingen van christenen in de Islamitische Republiek, benadrukte hij dat het toekomstige Iran geen plek zou moeten zijn waar christenen gedwongen zijn hun aanbidding verborgen te houden; integendeel, kerken zouden vrij moeten kunnen functioneren en aanhangers van verschillende geloven zouden gelijke juridische bescherming moeten genieten.
Volgens Mirahmadi is de belangrijke vraag over de toekomst van Iran wat er zal gebeuren na de Islamitische Republiek en welke structuur het land door de huidige politieke, economische en sociale crises zou kunnen leiden.
In zijn verslag van de ontmoeting met Reza Pahlavi is hij tot de conclusie gekomen dat deze een duidelijke “routekaart” voor de periode na de Islamitische Republiek voor ogen heeft; een routekaart die volgens deze schrijver gericht is op politieke transitie, verbetering van de economische omstandigheden, bescherming van godsdienstvrijheid, organisatie van Iraniërs binnen en buiten het land, en wederopbouw van Iran.
Op basis van wat Mirahmadi in zijn artikel schreef, beschouwt Reza Pahlavi zichzelf niet als degene die de uiteindelijke vorm van de toekomstige regering van Iran bepaalt, en definieert hij zijn rol meer als leiderschap en facilitering van het transitieproces; een proces dat uiteindelijk het Iraanse volk in staat moet stellen om zelf over de vorm van toekomstige regering te beslissen.
Dit standpunt is met name uit het perspectief van christenen in Iran van bijzonder belang; omdat een van de fundamentele kwesties tijdens de transitieperiode zal zijn om zeker te stellen dat godsdienstvrijheid niet afhankelijk is van de wens van de regering of een religieuze meerderheid, maar gegarandeerd is als een fundamenteel burgerschapsrecht in de wet.
Een belangrijk onderdeel van Mirahmadi’s artikel is gewijd aan de situatie van christenen in Iran. Hij heeft op basis van zijn persoonlijke ervaring geschreven dat de ontwikkelingen in Iran niet alleen vanuit een geopolitiek perspectief kunnen worden gezien en dat naast politieke ontwikkelingen ook een spiritueel proces plaatsvindt in de Iraanse maatschappij.
Volgens hem hebben de inspanningen van de Islamitische Republiek om religieus geloof op te leggen via staatsmacht, in plaats van geloof voort te brengen, in delen van de maatschappij tot teleurstelling geleid. Hij spreekt daarentegen over de rol van christelijke televisiezenders, online evangelisatiediensten, persoonlijke contacten en huiskerken in het vertrouwd maken van Iraniërs met het christendom.
Dit deel van het artikel heeft bijzonder belang voor een christelijk medium; omdat het probleem niet alleen gaat over regimeverandering, maar over de fundamentele vraag of een mens zonder angst zijn eigen geloof kan kiezen.
Mirahmadi schetst een beeld van het toekomstige Iran waarin christenen niet verplicht zijn in het geheim te aanbidden, kerken vrij kunnen functioneren en aanhangers van verschillende geloven, inclusief christenen, joden en zoroastriërs, wettelijke bescherming genieten.
Dit terwijl mensenrechtenrapporten de afgelopen jaren herhaaldelijk hebben bericht over druk op christenen in Iran, met name burgers die zich van islam tot christendom hebben bekeerd en leden van huiskerken.
Een belangrijk onderdeel van het artikel is Mirahmadi’s christelijke kijk op de relatie tussen geloof en politieke macht. Hij benadrukt dat het christendom voor verspreiding geen dwang door de regering nodig heeft en dat echt geloof niet onder dwang kan ontstaan.
Vanuit een christelijk perspectief is geloof iets dat samen moet gaan met gewissensvrijen en persoonlijke keuze. Daarom mag geen enkele christen onder druk worden gezet om zijn geloof vast te houden en mag geen enkele burger worden gestraft door de regering vanwege zijn geloof of ongeloof.
Dit principe betekent ook steun voor de vrijheid van moslims om hun geloof uit te oefenen en hun religieuze rituelen uit te voeren. Tegelijkertijd maakt Mirahmadi onderscheid tussen islam als een persoonlijk geloof en islamisme als een politiek project.
Volgens hem zou een democratisch systeem het recht van moslims om hun religieuze geloof vrij uit te oefenen moeten steunen, maar zou het rechtsmechanismen moeten hebben tegen stromingen die religieuze superioriteit willen vervangen door burgerlijke gelijkheid en democratische orde.
Mirahmadi beschouwt verder in het artikel de rechtsstaat, gelijkheid van burgers en transparantie als noodzakelijke elementen van het toekomstige Iran. Hij is van mening dat de toekomstige Iraanse grondwet zodanig moet worden vormgegeven dat de godsdienstvrijheid en burgerrechten van individuen, ongeacht hun religieus geloof, niet kunnen worden geschonden.
Volgens hem moeten in het proces van opstelling van de toekomstige grondwet zaken als het voorkomen van aansporing tot geweld, controle op financieringskanalen van extremistische groepen en creatie van juridische waarborgen tegen terugkeer van ideologische regeringen onder aandacht worden genomen.
Dit standpunt staat tegenover een structuur waarin toebehorendheid tot of afzijdigheid van een religieus geloof de sociale en politieke rechten van een individu kan beïnvloeden. Voor christenen in Iran hebben dergelijke waarborgen vitaal belang; omdat echte vrijheid alleen betekenis krijgt wanneer een christelijke burger zonder angst voor arrestatie, ontzegging van rechten of veiligheidszaken zijn geloof kan leven.
Mirahmadi gaat in een ander deel van zijn artikel in op de betrekkingen tussen Iran en Israël en beschouwt, verwijzend naar de woorden van Reza Pahlavi, de vijandigheid van de Islamitische Republiek jegens Israël meer als het product van ideologie van het heersende systeem dan als deel van de historische identiteit van Iraniërs.
Met verwijzing naar bijbelse verhalen over Cyrus de Grote en de terugkeer van joden uit de Babylonische ballingschap benadrukt hij de historische achtergrond van betrekkingen tussen Iraniërs en joden. Volgens hem wil Reza Pahlavi een Iran waarin vreedzame betrekkingen bestaan met Israël en Arabische landen in de regio, en dat in plaats van financiële steun aan groepen als Hamas en Hezbollah, zich op economische samenwerking, technologie en handel met de wereld richt.
Dit standpunt presenteert een ander beeld van Irans rol in de regio; een land dat in plaats van ideologie van revolutionaire uitvoer, het pad van vrede en regionale samenwerking kan bewandelen.
Mirahmadi benadrukt verder het belang van het Iraanse volk in de politieke toekomst van het land. Hij is van mening dat politieke verandering niet via Amerikaanse militaire bezetting van Iran mag worden opgelegd. Naar zijn mening kunnen externe druk mogelijk de macht van de regering verzwakken, maar uiteindelijk moet het Iraanse volk centraal staan in het veranderingsproces.
Dit onderwerp staat ook in direct verband met de kwestie van godsdienstvrijheid; want regimeverandering, zonder fundamentele verandering in de verhouding tussen staat en individueel geweten, zal niet noodzakelijk tot godsdienstvrijheid leiden.
Het toekomstige Iran heeft uit dit perspectief niet alleen behoefte aan verandering van personen of politieke structuren; het heeft behoefte aan wetten die de rechten van alle burgers beschermen, ongeacht hun religie, geloof en overtuiging. Een ander punt in het artikel betreft hoe om te gaan met overheidsstructuren na systeemverandering. Mirahmadi waarschuwt, met verwijzing naar de ervaring van Irak na de val van Saddam Hoessein, voor plotselinge ineenstorting van alle administratieve en veiligheidsstructuren.
Volgens hem kunnen personen die in de Islamitische Republiek geen misdrijven hebben begaan, tijdens de transitieperiode helpen bij het handhaven van openbare orde en wederopbouw van het land; maar personen die verantwoordelijk waren voor ernstige misdrijven en schendingen van mensenrechten, mogen niet aan gerechtelijke verantwoording ontkomen. Dit standpunt onderscheidt tussen behoud van instellingen die nodig zijn voor landsbeheer en immuniteit voor daders van misdrijven.
Mirahmadi voert ook de Iraanse diaspora aan als een van de belangrijke kapitaalmiddelen voor het toekomstige Iran. Volgens hem kunnen miljoenen Iraniërs die jaren in democratische samenlevingen hebben geleefd en ervaring hebben opgedaan op verschillende gebieden van wetenschap, economie en beroep, een rol spelen in de wederopbouw van het land.
Het toekomstige Iran is niet alleen een project voor politieke verandering; het is een project om menselijk, economisch en sociaal kapitaal terug te brengen naar een land dat decennia lang te kampen heeft gehad met migratie, onderdrukking en internationaal isolement.
Mirahmadi spreekt aan het einde van zijn artikel over zijn hoop voor de toekomst van Iran en verwijst naar zijn dochter; dat zij op een dag zonder angst naar Iran kan reizen en een land kan zien dat in plaats van gijzeling, terrorisme en anti-Amerikaanse slogans, bekend staat om beschaving, schoonheid, wijsheid en gastvrijheid.
Hij uit ook vanuit een christelijk geloofsperpsectief hoop dat op een dag het evangelie in Iran vrij en zonder angst wordt verkondig en dat moslims ook vrij het bericht van het christendom kunnen horen en erover zelf kunnen beslissen. Dit standpunt beschouwt godsdienstvrijheid niet als een voorrecht voor één groep, maar als recht voor alle mensen.
Voor de christengemeente in Iran betekent zo’n toekomst het einde van geheime aanbidding, angst, druk en het begin van een periode waarin het volgen van het christendom niet als veiligheidsmisdrijf wordt beschouwd en de kerk zonder inmenging en bedreiging van de regering haar missie kan vervullen.
Mirahmadi besluit zijn artikel met een oproep aan christenen over de hele wereld om naar de stem van het Iraanse volk te luisteren en benadrukt het geloof dat zelfs na decennia onderdrukking, dood en verwoesting, het verlangen van de mens naar vrijheid niet is verdwenen.




