Iraans parlement stelt contact met ‘oppositiemedia’ strafbaar

De Islamitische Consultatieve Raad (Majles) heeft bij de behandeling van het voorstel ‘Bestrijding van infiltratie door inlichtingendiensten en buitenlandse regeringen of instellingen’ de beperkingen op de vrijheid van meningsuiting en communicatie van Iraniërs met media verder uitgebreid. De afgevaardigden stemden dinsdag 14 Mehr in met artikel 22, waarin interviews en gesprekken van Iraanse burgers met media die het Ministerie van Inlichtingen als ‘oppositie’ bestempelt, verboden worden verklaard. Voor overtredingen zijn strafmaatregelen voorzien, waaronder opsluiting en zweepslag. Tegelijkertijd kunnen bepaalde informatie en niet-openbare officiële gegevens die aan ‘buitenlandse agenten’ worden overgedragen, leiden tot meer dan vijf tot tien jaar gevangenisstraf en permanent ontslag uit functie.
Volgens artikel 22 zoals aangenomen door het parlement, kunnen Iraanse burgers niet communiceren met media of ‘media-personen’ die het Ministerie van Inlichtingen als ‘oppositie’ heeft aangemerkt en openbaar heeft gemaakt. Media die onder eigendom, beheer of financiering van agenten van bepaalde buitenlandse regeringen vallen, zijn eveneens onder deze beperking gebracht. Schending van dit verbod zal volgens de tekst van het besluit onderworpen zijn aan een of meerdere straffen van de zesde categorie zoals bedoeld in artikel 19 van de Islamitische Strafwet.
Deze straffen hebben een aanzienlijke reikwijdte en kunnen bestaan uit gevangenisstraf van meer dan zes maanden tot twee jaar, geldboete, 31 tot 74 zweepslagen en ontneming van sociale rechten. Opvallend is dat in de tekst van het artikel ambtsdragers van de Islamitische Republiek van deze beperking zijn uitgesloten; dat wil zeggen dat de beperking die voor ‘Iraanse burgers’ is gesteld, niet van toepassing is op ambtenaren die deel uitmaken van de regering.
Op deze manier kan een mediacommunicatie, die in veel rechtsstelsels binnen het kader van vrijheid van meningsuiting en toegang tot informatie wordt gedefinieerd, in geval van contact met media die het Ministerie van Inlichtingen als ‘oppositie’ aanmerkt, het onderwerp van een strafrechtelijk dossier worden. Dit is een van de belangrijkste zorgen over dit voorstel, omdat de bepaling van wat als ‘oppositie’ wordt beschouwd, volgens de tekst van het artikel aan het Ministerie van Inlichtingen is toevertrouwd, en deze benaming zelf niet duidelijk en nauwkeurig in het besluit is gedefinieerd. Critici hebben gewaarschuwd dat een dergelijke definitie de reikwijdte van het verbod aanzienlijk kan uitbreiden.
Naast artikel 22 heeft het parlement ook artikel 20 van dit voorstel aangenomen. Volgens dit artikel zullen personen die door hun beroep, functie of wettelijke opdracht, of via professioneel contact met personen met relevante beroepen, toegang hebben gekregen tot informatie, rapporten, gegevens of niet-openbare officiële statistieken van het land, en deze zonder toestemming ter beschikking stellen van ‘buitenlandse agenten’, worden geconfronteerd met gevangenisstraf van de vierde categorie en permanent ontslag uit hun beroep. Gevangenisstraf van de vierde categorie in de Islamitische Strafwet bedraagt meer dan vijf tot tien jaar.
Voor geclassificeerde informatie is een strengere straf voorzien. Volgens de toelichting op artikel 20, kan openbaarmaking, publicatie of overdracht van vertrouwelijke of geheime informatie aan een buitenlandse agent of onderdaan, indien dit schadelijk is voor de veiligheid of nationale belangen, onderworpen zijn aan straffen van de derde categorie.
Dit voorstel is sinds de goedkeuring van de hoofdlijnen tegenstreven. De regering-Masoud Pezeshkian verzette zich er formeel tegen in Shahrivar en verklaarde dat de tekst en behandelwijze van het voorstel ernstige bezwaren bevatten. De juridisch adviseur van de president stelde dat er geen juridische lacune bestaat voor bestrijding van infiltratie, en dat wanneer nieuwe wetgeving nodig is, deze met deelname van de regering, de rechterlijke macht en na beoordeling van verschillende aspecten moet worden opgesteld. De regering waarschuwde ook voor beperking van wetenschappelijke activiteiten, versnelde emigratie van intellectuelen en negatieve gevolgen van dit voorstel.
Critici van het voorstel maken zich zorgen dat het begrip ‘bestrijding van infiltratie’ verder gaat dan spionage- en inlichtingenactiviteiten en zich ook uitstrekt tot media-, universitaire, professionele en burgercommunicatie van burgers.
Onder deze omstandigheden is artikel 22 van bijzonder belang, omdat het een Iraanse burger niet blootstelt aan strafrechtelijke vervolging vanwege overdracht van vertrouwelijke informatie of inlichtingenoperaties, maar louter vanwege gesprek met media die de regering als ‘oppositie’ aanmerkt. Dit kan het medialandschap in Iran verder beperken en burgers, journalisten, activisten, onderzoekers en zelfs families van slachtoffers en betogers voorzichtiger of meer bevreesd maken om met media buiten het land te spreken.
In de praktijk kan een dergelijke benadering de grens tussen ‘bestrijding van spionage’ en ‘beperking van informatieverspreiding’ versmallen. Indien een burger met media buiten Iran spreekt over de economische, sociale, mensenrechten- of politieke situatie van het land, zal bepaling van het feit of deze communicatie louter mediale activiteit was of als een voorbeeld van ‘infiltratie’ wordt beschouwd, afhangen van de interpretatie en toepassing van deze bepalingen.
Men moet echter opmerken dat de recente parlementaire besluiten nog niet het einde van het wetgevingsproces zijn en om een afdwingbare wet te worden, nog verdere juridische stappen moeten doorlopen. Daarom is wat nu is aangenomen een parlementair besluit en geen wet die op dit moment noodzakelijk strafrecherlijk afdwingbaar is.
Het voorstel dat volgens de auteurs ‘infiltratie door buitenlanders’ moest bestrijden, is nu op het punt beland waar zelfs een gesprek van een Iraanse burger met buitenlandse media crimineel kan worden gesteld. Terwijl de Islamitische Republiek al jaren onafhankelijke en kritische media buiten het land beperkt of als ‘oppositie’ aanmerkt, het toekennen van deze bepaling aan het Ministerie van Inlichtingen en het daaraan koppelen van straf in de vorm van opsluiting en zweepslag, heeft de zorgen over de toekomst van vrijheid van meningsuiting en vrije toegang van Iraanse burgers tot informatie doen toenemen.
Deze besluiten geven uiteindelijk een duidelijk signaal over de richting van het voorstel: bestrijding van wat de regering ‘infiltratie’ noemt, beperkt zich niet langer tot inlichtingenactiviteiten en omvat ook het gebied van mediacommunicatie en informatieverspreiding – een gebied dat, hoe meer het wordt beperkt, des te minder kans zal bieden aan critici, betogers, families die rechtsbijstand zoeken en Irans civiele maatschappij om gehoord te worden.




